Artikel 9. Hier verkort weergegeven, wijl
het niet-vermelde van geen belang is voor den verzamelaar, liet
derhalve de nadere regeling betreffende de uitgifte enz. der postzegels
over aan den koning. De aanvankelijk vastgestelde datum, I Januari
1851, werd bij circulaire nr. 434 van 28 December 1850 verschoven
"tot een nader door den Koning te bepa- len dag, doch uiterlijk
tot den 31sten December 1851".
Het koninklijk besluit van 12 No- vember 1851 (staatsblad nr.
143) eindelijk regelde de uitgifte der ze- gels in bijzonderheden.
Het werd als bijlage toegevoegd aan circulaire nr . 447 van 24
November van hetzelfde Jaar en volgt hier onverkort :
Art. I, De dag der invoering van het gebruik van postzegels
wordt bepaald op 1e, Januari 1852.
Art. 2. De postzegels worden door de zorg van Onzen Minister
'van Financiën op alle Post- en Hulpkantoren der brievenposterij
voor een ieder verkrijgbaar gesteld, tegen betaling van niet
meer dan de daarop uitgedrukte geldswaarde.
Art. 3. Zij dragen Onze beeldtenis en het opschrift
P o s t z e g e l , benevens de aanduiding der geldswaarde.
Art. 4. Er zijn drie soorten van postzegels, namelijk: van
vijf cents, van tien cents en van vijftien cents.
Art. 5. Elke soort van die zegels wordt in eéne verschillende
kleur afgedrukt, te weten:
Blaauw, de postzegel van vijf cents.
Rood, die van tien cents.
Oranje, die van vijftien cents.
Art. 6. Zij dienen tot vooruitbetaling
van het port op de binnenlandsche briefwisseling.
Nogtans kunnen zij ook worden gebruikt voor brieven
die naar het buitenland zijn bestemd, in zoo verre dit
niet strijdt met de overeenkomsten of schikkingen, daaromtrent
met vreemde Regeringen of Administratien bestaande,
en behoudens de bepalingen van art. 14 hierna volgende.
|

|

Art. 7. De brieven voorzien van postzegels, worden
door of van wege de afzenders gestoken in de brievenbussen,
die tot het ontvangen der ongefrankeerde brieven zijn bestemd.
Art. 8. De vooruitbetaling van het briefport met gereed geld,
in handen van de ambtenaren der Postkantoren, blijft toegelaten.
Onze Minister van Financiën kan echter de brieven, welke
op die wijze zijn gefrankeerd, door de ambtenaren der Administratie
van postzegels doen voorzien.
Art. 9. De postzegels worden vastgehecht in den bovensten hoek,
aan de linker zijde van het opschrift der brieven.
Art. 10. Er kunnen meer dan een postzegel, van dezelfde of
van verschillende soorten, op denzelfden brief worden geplaatst,
tot afpassing van het verschuldigde port.
Art. 11. Ieder postzegel kan slechts éénmaal
dienen.
De gebezigde postzegels worden op het kantoor van afzending,
tot herkenning, overgestempeld of onbruikbaar gemaakt, op de
wijze door onzen Minister van Financiën te bepalen.
Art. 12. Brieven, voorzien van postzegels die reeds eenmaal
gediend hebben, worden belast met het verschuldigde port, door
hem aan wien de brief is gerigt te betalen.
Indien echter het uitwendig aanzien, van de aldus voor de tweede
maal gebruikte zegels, het vermoeden doet ontstaan, van eene
volbragte poging om den daarop afgedrukten stempel weg te nemen,
of van eenigen toeleg om op eene andere wijze een misdadig gebruik
van echte zegels te maken, wordt daaromtrent gehandeld volgens
de bepaling van art. 15 hierna volgende
|

oud-model postrijtuig Nederlandsche Spoorwegen
|

nieuw-model postrijtuig Nederlandsche
Spoorwegen
|
Art. 13. De geldswaarde van het postzegel of van
de postzegels: waarmede een brief wordt gefrankeerd, moet ten
minste gelijk zijn aan het bedrag van het verschuldigde port.
Bij de berekening van dat port, komt zoowel den afstand van
het Postkantoor van verzending tot dat van bestemming, als het
gewigt van den brief in aanmerking.
In geval van ontoereikendheid van het postzegel of van de postzegels,
wordt de brief met het te kort komende port belast.

Transportdriewieler
Art. 14. De bepaling der laatste zinsnede van
het voorgaande artikel, is niet van toepassing op de naar het
buitenland bestemde brieven, die van ontoereikende postzegels
zijn voorzien. Die postzegels zijn van onwaarde.
Art. 15. De brieven voorzien van nagemaakte of vervalschte
postzegels, of ook van echte postzegels, welker uiterlijk aanzien
het vermoeden doet ontstaan, dat daarvan een misdadig gebruik
is gemaakt, worden aangehouden, en gesteld in handen der ambtenaren,
die bij de Wet met het opsporen en vervolgen van misdrijven
zijn belast.
Art. 16. Onze Minister van Financiën zal eene beknopte
handleiding voor de ingezetenen, omtrent den voet waarop van
de postzegels kan worden gebruik gemaakt, doen vervaardigen,
en ten minsten prijze voor het algemeen verkrijgbaar stellen.
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering
van dit Besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Algemeene Rekenkamer, 't welk in het Staatsblad zal worden geplaatst.
|