
Expeditiebureel te Haarlem
Zooals gezegd was vorenstaand koninklijk besluit
toegevoegd aan circulaire nr. 447, welke verschillende bepalingen
bevatte, voor den verzamelaar van belang. Enkele hiervan worden
alsnog vermeld.
Artikel 2 van de resolutie van den minister van financiën,
dd.24 November 1851, nr. 66, afd. posterijen, die den inhoud
uitmaakte van genoemde circulaire, bepaalde dat 'eene Instructie
voor de Directeuren en verdere beambten der Postkantoren,
omtrent de uitgifte, het gebruik en de verantwoording der
Postzegels' is vastgesteld alsmede een 'Instructie voor de
Brievengaarders op de Hulpkantoren, omtrent de uitgifte en
het gebruik der Postzegels'. Voorts dat aan iederen ambtenaar
een exemplaar der 'Beknopte handleiding omtrent de bestemming
en het gebruik der Postzegels' is uit te reiken, zulks ter
voldoening aan het gestelde in art. 16 van het hierboven weergegeven
koninklijk besluit. De exemplaren dezer handleiding, bestemd
voor den verkoop aan het publiek, moesten de directeuren ontbieden
bij de uitgevers, Gebroeders Giunta d'Albani. te s-Gravenhage;
de verkoopprijs hiervan was bepaald op 10 cent.

Glijbaan voor de pakketpost, Postkantoor Rotterdam.
De 'Instructie voor de Directeuren en verdere
beambten der Postkantoren enz.', alsmede die 'voor de Brievengaarders
op de Hulpkantoren enz.' werden reeds vroeger volledig vermeld
in het 'Nederlandsch Maandblad voor Philatelie' van 1927 (April
en Mei).
De invoering der postzegels op I Januari 1852 was een onderneming,
die onze grootouders alles behalve licht telden. Te verwonderen
is zulks niet, daar in de tot dusverre gevolgde wijze van
frankering een algehele omwenteling werd gebracht. Dit verklaart
dan ook de wellicht in onze oogen kinderlijke redactie van
bijv. artikel 7 van de 'Beknopte handleiding enz.') uitgegeven
door de drukkerij Giunta d'Albani, welke eveneens volledig,
voorkomt in het Meinummer van den jaargang 1927.

Ned.-Indië. Rijtuig spoorwegkantoor met vanginrichting.
Zoo was dan eindelijk het pad voor de eerste
nederlandsche frankeerzegels wettelijk en administratief geëffend
en konden de nuttige papiertjes hun zegetocht aanvangen. Doch
reeds op 15 Januari verscheen circulaire nr. 455, die nog
vermeld dient te worden als zijnde voor de verzamelaars van
belang:
'De Minister heeft met genoegen gezien, dat de voorschriften
omtrent de postzegels, over het geheel genomen, met zorg worden
nagekomen.
'Intusschen wordt eene meer duidelijke overstempeling op sommige
Postkantoren aanbevolen, bepaaldelijk van de blaauwe zegels;
die men zal trachten in het vervolg van eenigszins lichtere
kleur te doen vervaardigen. Indien er bij de distributie brieven
met postzegels voorkomen, waarvan de overstempeling geheel
onduidelijk is, kan men daarover met de pen een kruis trekken,
om het dubbel gebruik voor te komen; doch dit moet in dier
voege geschieden, dat hetgeen van den stempel zigtbaar is,
niet weggenomen worde.'
Ned.-Indië. Interieur spoorwegkantoor.
Blijkens de memorie van toelichting tot de staatsbegrooting
voor 1854 werden het eerste jaar van verkrijgbaarstelling
de volgende aantallen zegels te gelde gemaakt:
5 cent 912.802 stuks,
10 cent 682.871 stuks,
15 cent 250.616 stuks.
Totaal dus 1.846.289 stuks, ter waarde van plm. f 145.000.
Geeft dit aantal een gedeeltelijk beeld van
het postverkeer van die dagen, belangwekkend kan het zijn
daarnaast eenige verkeerscijfers over 1930 te plaatsen, ontleend
aan het gebruikelijke 'Verslag aan de Koningin'. Het binnenlandsche
briefpostverkeer omvatte dan over genoemd jaar ruim 240 millioen
brieven, 105 millioen briefkaarten, en in totaal met de andere
stukken bijna 977 millioen stuks.
Naar het buitenland werden verzonden ongeveer 100 millioen,
daaruit ontvangen ruim 179 millioen stuks.
Ten verkoop werden aan de kantoren verstrekt ruim 540 millioen
frankeerzegels tot een waarde van bijna 32.000.000 gulden.
Ik ben hiermede aan het einde van de gestelde
taak den lezer een overzicht te geven van den geboortegang
van den nederlandschen frankeerzegel en hem tegelijkertijd
een blik te gunnen in een wereldomvattend bedrijf, dat dagelijks
zijn diensten biedt aan een ieder, oud of jong, rijk of arm,
een tak van staatsdienst waarvan Frederik Wilhelm I van Pruissen
eens zeide : 'vor den floris- santen Zustand der Commercien
hochnothwendich und gleichsam das Oel vor die ganze Staatsmachine'.