Terecht werpt de heer P.C. Korteweg
een paar vragen op aan het slot van zijn interessant artikel De
eerste emissie 1852 van Nederland in de Philatelist
dd. I Februari jl.
De vraag, wie is de ontwerper van onze eerste frankeerzegels,
was met de mededeelingen van den geachten schrijver nog niet opgelost.
Het mocht mij gelukken daaromtrent meer positieve gegevens te
vinden.
Ziehier de geschiedenis.
In zijn brief van 24 April 1851, nr. 120, deelt de heer dr.A.Vrolik,
voorzitter van het muntcollege te Utrecht, aan den minister van
financiën het volgende mede:
Ik heb de eer Uwe Excellentie hierbij aan te bieden een
ontwerp door mij vervaardigd van de in te voeren postzegels. Indien
Uwe Excellentie mogt goedvinden deze schets aan het oordeel van
Zijne Majesteit te onderwerpen, dan zij het mij vergund hierbij
op te merken, dat ik mij in geenen deele heb voorgesteld eene
goede gelijkende beeltenis van Zijne Majesteit te vervaardigen,
maar alleen een luchtig ontwerp te maken van de wijze, waarop
zoodanige beeltenis op de postzegels zou kunnen gebracht worden.
Den kunstenaar die naderhand de eer zal genieten de oorspronkelijke
type voor de postzegels te graveeren, moet overgelaten worden,
de gelijkenis zoo goed mogelijk te treffen.
Ik hoop mij morgen naar Amsterdam te begeven, ten einde
met den heer Kaiser over het papier, dat voor de postzegels gebezigd
zal moeten worden, in overleg te treden.
In zijn antwoord dd. 26 April 1851 deelt de minister van financiën
aan den voorzitter van het muntcollege o.a. mede, dat aan zijne majesteit,den
koning gevraagd zal worden de beeltenis van zijne majesteit op de
postzegels te mogen plaatsen, hetwelk op de volgende wijze aan zijne
majesteit wordt voorgesteld:
Vermits de postzegels in sommige opzigten de plaats eener munt
vervangen, heeft men op het voetspoor van Engeland in bijna alle landen
het borstbeeld
van den Souverein of in republieken, zooals in Amerika en in Frankrijk,
eene andere beeltenis tot type gekozen. Het zij mij geoorloofd mitsdien
Uwer Majesteit's vergunning te vragen om ook hier te lande Hoogstderzelver
beeltenis op de bedoelde zegels te mogen doen plaatsen.
Indien dit voorstel Uwer Majesteit's toestemming mot kunnen
erlangen, zoude het mijn voornemen zijn de uitvoering op te dragen
aan een der meest bekwame graveurs hier te lande of liever aan dengene
die bij eene te leveren proeve zal blijken daarvan de meeste geschiktheid
te hebben, zullende men alles aanwenden wat mogelijk is om een goede
uitvoering verzekeren.
In zijn brief van 2 Juli 1851 deelt de muntmeester het navolgende
aan den minister van financiën mede: De Heer Wiener mij
het staal gezonden hebbende, bestemd voor de oorspronkelijke gravure
van het poststempel, zoo heb ik dit aan den Heer Kaiser overgemaakt
en tevens verzocht eene teekening van dien stempel te mogen ontvangen,
alvorens ZEd. tot de gravure overging.
Ik heb daarop ontvangen de teekening die ik de eer heb hierbij
over te leggen. De Heer Kaiser heeft voor de gelijkenis een boetseerse1
gevolgd, vervaardigd door den Heer N. Pieneman, waarmede Zijne Majesteit,
naar men verzekert, zeer moet ingenomen zijn. In het omvatsel der
beeltenis heeft de Heer Kaiser nogal belangrijke veranderingen gemaakt.
Ik heb daarom gemeend, alvorens den Heer Kaiser te antwoorden, op
deze veranderingen, waardoor deze teekening nogal afwijkt van de aangenomen
teekening, de toestemming van Uwe Excellentie te moeten inroepen.
Wat mij betreft, zoo vermeen ik, dat de meerdere sieraden, door den
graveur aangebragt, vooral wanneer het postzegel gegraveerd zal zijn,
hetgeen een veel fijner bewerking dan eene teekening met het penseel
toestaat, zeer wel zullen voldoen, terwijl men erdoor zal winnen dat
de waardeaanduiding (5, 10 en 15C) meer in het oog zal vallen en bij
de reproductie der oorspronkelijke type minder zwarigheden zal opleveren.
Op grond van dit een en ander meen ik Uwe Excellentie in bedenking
te mogen geven, den Heer Kaiser toe te staan, de ingevingen van zijn
kunsttalent te volgen.
Zoodra ik de verzekering hiervan met terugzending van nevenstaande
teekening van Uwe Excellentie heb mogen ontvangen, zal ik mij haasten
die ter kennisse van den Heer Kaiser te brengen, opdat deze zijn arbeid
onmiddellijk zou kunnen aanvangen en dus van dien kant geene vertraging
ondervonden worde.
In antwoord hierop deelde de minister van financiën o.a. mede
:
Ten slotte heb ik de eer aan UWE. in antwoord op Uw jongste
schrijven van
2 Juli l.l. en onder terugzending van de daar bij gevoegde teekening
te kennen te geven, dat ik mij volkomen vereenig met Uw gevoelen omtrent
de uitvoering, alsook dat eene zooveel mogelijk duidelijke aanduiding
van het cijfer der cents op de postzegels mij wenschelijk voorkomt.
UWE. gelieve alzoo den Heer Kaiser te verzoeken hoe eerder zoo
liever voort te gaan.
Uit de aanteekeningen uit de authentieke stukken blijkt dus duidelijk
de wording van onzen eersten postzegel.
Het begin is geweest de schetsteekening van dr.A.Vrolik. Bij onderzoek
is gebleken, dat de teekening niet meer voorhanden is, zoodat niet
precies kan worden nagegaan in, hoever de teekening van den heer Kaiser
afwijkt van de schets; wel geeft het bericht van den muntmeester Vrolik
aan, dat de afwijkingen belangrijk waren en tot uiting kwamen in het
kader van de beeltenis, de versieringen, enz.
Merkwaardig is zeker, dat de teekening van Kaiser met een penseel
was gedaan, dus nog niet de lijnen van de gravure-techniek vertoonde.
De beeltenis blijkt afkomstig te zijn van den schilder N. Pieneman.
Ten slotte volgen hier nog eenige gegevens omtrent de heeren Vrolik
en Kaiser .
Dr. Agnites Vrolik werd 28 Februari 1810 te Amsterdam
geboren en overleed 8 Juni 1894. Hij promoveerde 14 Juni 1836
tot doctor in de wis- en natuurkunde. In 1840 werd hij benoemd
tot essayeur-generaal aan 's rijks munt en later tot voorzitter
van het muntcollege. Van 1854 (I Mei) tot 1858 was hij minister
van financiën.
Johan Wilhelm Kaiser werd 5 Januari 1813 te Amsterdam geboren
en overleed 29 November 1900 te Leiden. In 1859 werd Kaiser directeur
van de graveerschool der koninklijke akademie, in 1870 professor
aan de rijksakademie voor beeldende kunsten en in 1874 directeur
van het rijksmuseum te Amsterdam.