.

Postbestelling per motorvlet op de Zuiderzee(werken)

Als resultaat van dit overleg werd op 27 Februari 1850 een 'Nota van nadere wijzigingen' ingevoerd, waarin o.a. artikel 9, Ie regel, werd aangevuld met 'binnen het jaar' -te lezen ná het woord 'later'.
Doch de heeren van 1850 waren niet gemakkelijk tevreden te stellen; nog drie nota's van 'Nadere Wijzigingen' moesten aan het oordeel der Kamer onderworpen worden, alvorens deze aan het wetsontwerp hun sanctie wilden verleenen. Ook artikel 9 kwam hierbij opnieuw in het gedrang; de woorden 'of de frankering' konden geen genade vinden.
Op 6 Maart 1850 werd dan eindelijk de openbare behandeling van het wetsontwerp geopend. De tegenstanders gingen het staatsmonopolie op heftige wijze te lijf, in het bijzonder de heer Costerus (niet te verwarren met diens bekenden naamgenoot-poststukkenverzamelaar van onzen tijd!). Deze noemde het monopolie een 'stap op het pad der inquisitie, onzedelijk in zijn uitwerkselen'. De afgevaardigde Donker Curtius bespeelde een gelijkgestemd instrument; deze noemde het monopolie 'een antiquiteit; hij verlustigt zich aan de oude ridderkasteelen op eene reis langs den Rhijn, maar dewijl hij geene antiquiteit in eene wet verlangt, zal hij de postwet blijven verwerpen'.


Ned.-Indië. Postprauw Palernbang-Tandjongradia (Sumatra).

Over artikel 9, dat den verzamelaar het meeste aanbelangt, sprak het eerst de afgevaardigde Godefroi, die, onder verwijzing naar het buitenland verlangde, dat men met de wet gelijktijdig de postzegels zou invoeren, waartegen de minister zich, met het oog op de omvangrijke verbeteringen en de wijzigingen in de comptabiliteit meende te moeten verzetten.
Op I3 Maart 1850 werd de geamendeerde postwet met 47 tegen 17 stemmen door de Tweede Kamer aangenomen, waarna het ontwerp den 4en April verhuisde naar de Eerste Kamer, waar op den I2en d. a. v. de discussies begonnen; deze nam het wetsontwerp aan met 25 tegen 6 stemmen.
De eerste wettelijke regeling der posterijen hier te lande, welke van 'vreemde smetten' vrij was, dateert derhalve van 12 April 1850 en is opgenomen in het staatsblad nr. 15.
Dat het de regeering ernst was met haar voornemen den postdienst grondig te verbeteren blijkt uit circulaire nr. 411, waarbij zij haar plannen aan de ambtenaren kenbaar maakte onder bijvoeging van een exemplaar der nieuwe postwet met toelichtende verklaring, hoewel de datum van invoering nog niet vast stond. Deze werd bij koninklijk besluit van 28 Juni 1850 bepaald op I September 1850.
Bij circulaire nr. 415 werd aan het personeel uitgereikt een 'Instructie voor de toepassing der Wet van 12 April 1850 enz.', waarin o.a. gezegd wordt: 'Alles wat de Postzegels betreft zal het onderwerp van latere beschikkingen uitmaken'.
Talrijke aanschrijvingen en circulaires aan het personeel volgden elkander in korten tijd op; het zou te ver voeren hierop nader in te gaan. Die van 24 Augustus 1850 (nr. 423) wil ik nog even aanstippen, wijl daarin het plaatsen van talrijke nieuwe brievenbussen werd aangekondigd.
Bij resolutie van den minister van financiën van 26 October 1850 nr. 74 werd het model der ons allen overbekende standaardbrievenbussen vastgesteld. Het zijn oude vertrouwden in ons stadsbeeld, die de groote verdienste hebben dat zij door. hun afmetingen en kleur den vergeetachtige het posten van zijn brieven in herinnering brengen. (In den laatsten tijd worden meerdere dezer bussen, als niet meer passend in een modern stadsbeeld, vervangen door hangbrievenbussen van geheel ander uiterlijk).

Nederlandsche brievenbesteller in oud-model uniform.
Nederlandsche brievenbesteller in nieuw model uniform.

De wet van den 12en April 1850 luidde een nieuw tijdperk in voor den nederlandschen postdienst. Hoe vele en van welken ingrijpenden aard de veranderingen ook mochten zijn, deze wet was slechts te beschouwen als een overgangsmaatregel. Voor den postzegelverzamelaar blijft zij echter den grondslag, waarop de nederlandsche postzegelkunde is gebouwd.
Hieronder mogen de artikelen volgen, voor de philatelisten van belang:
Art. 2. Het briefport is verschuldigd naar mate van den afstand en van het gewigt.

Art. 3. Het port naar mate van den afstand wordt berekend als volgt:
voor een afstand van 30 Nederlandsche mijlen of daarbeneden 5 Cents;
voor een afstand van 30 tot en met 100 mijlen 10 cents;
voor een afstand boven 100 mijlen 15 cents.

Art. 4. De afstand wordt gemeten in eene regte lijn, van het postkanoor op de plaats van afzending, tot aan het postkantoor op de plaats van bestemming der brieven. (Enz.).

Ned.-Indië. Postlooper Pemalang-Randoedongkal (W.-Java).

Art. 7. Bij de berekening naar het gewigt worden alle brieven van 15 wigtjes of daar beneden als enkel beschouwd. (Enz.).

Art. 8. De vooruitbetaling van het port zal, na 1 Januarij 1851, ook kunnen geschieden door het aanhechten van postzegels, tot dat einde door de zorg der administratie voor een ieder verkrijgbaar te stellen. De wijze van uitgifte dier zegels, en de voet waarop daarvan, ter invoering dezer wet, gebruik te maken is, worden door Ons geregeld. (Enz.).

 

Back Home Next