Moet Nederland zich scharen in de rij der mogendheden,
die hun deelneming aan dezen oorlog met uitbreiding van hun grondgebied beloond
wenschen te zien ? Reeds tijdens den bezettingstijd werd over deze vraag menige
is discussie gevoerd. Nadat de Nederlandsche regeering bij de verbonden mogendheden
haar aanspraken op Duitsch grondgebied had kenbaar gemaakt en anderzijds tegenover
het binnenland had verklaard, dat het Nederlandsche volk zelf zal moeten beslissen
of het annexatie wenst, is dit probleem niet langer het domein van amateur-politici,
maar een aangelegenheid van ons volk als geheel. Waarom wij annexeeren moeten.
Annexatie van vreemd grondgebied is een ernstige aangelegenheid.
Dertig
jaar Europeesche geschiedenis hebben maar al te duidelijk bewezen, dat het hier
om dingen gaat, welke beslissend zijn voor het wel en wee van een land en volk.
Verscheidene staten, welke na 1918 op de Europeesche landkaart verschenen , hebben
hun overmatige eetlust duur moeten betalen. Het Nederlandsche volk is zich
in breede geleidingen daarvan sterk bewust. Het is niet te vergelijken met die
jonge naties, die in hun politieke onrijpheid meenen. dat de grootheid van land
en volk door het aantal vierkante kilometers wordt bepaald en die als een
uitgehongerde de consequenties van hun eetlust nauwelijks overwegen. Wij weten
maar al te goed, dat er geen medaille zonder keerzijde is,dat het wijzigen van
een grens, die meer dan ten honderd jaar heeft bestaan een ernstig ding is,
en geleerd door de ervaringen na 1918 is menigeen zelfs geneigd deze keerzijde
te zwart te zien en te vergeten, dat driehonderd jaar koloonialen arbeid waarmede
geenszins bewezen is, dat eventueel te annexeeren gebieden als koloniën
moeten worden behandeld,hebben bewezen, dat de Nederlander uitstekend geschikt
was voor omgang met vreemdelingengen. Zwaartillend en voorzichtig, zooals
wij nu eenmaal van nature zijn, zijn pro's en contra's reeds in den breede gewogen
en overwogen. Argumenten van militairen en historischen aard ,zoo rijkelijk gebruikt
in 1918, kunnen slechts dweepers maar zeker niet het nuchtere Hollandsche volk
in zijn geheel overtuigen. Het argument van de bevolkingspolitiek wordt al
evenmin algemeen aanvaard; het moge dan waar zijn, dat ons land de grootste bevolkingsdichtheid
van Europa heeft en dat indien het zijn huidigen economische structuur zou
willen bestendigen, een grootste behoefte heeft aan ruimte heeft om de jaarlijksche
bevolkingstoeneming ,te kunnen herbergen. Daar staat tegenover dat met de bevolkingsdichtheid
ook de structuur van een land wijzigt en dat een verdergaande industrialisatie
de mogelijkheid van een groote bevolkingsdichtheid in zich sluit.Men kan gereedelijk
de vraag opwerpen,of de kwestie der annexatie voor het afwegen van pro's en contra's
vatbaar is. De argumenten zijn zoo uiteenlopend van aard,dat zij onderling niet
vergelijkbaar zijn. Maar bovenal,er zijn feiten en omstandigheden waarvan men
zich niet onttrekken kan, welke men aan vaarden moet in het bewustzijn van twee
kwade den het minst erge te kiezen. Deze annexatie is geen kwestie, welke ons
alleen raakt; het is een onderdeel ,een zeer klein onderdeel zelfs van de reeks
vraagstukken, welke de komende vredesconferentie tot een oplossing moet brengen.
Wie de geschiedenis van Versailles kent, weet, dat op dergelijke
conferenties gegeven en genomen wordt en dat dergelijke beslissingen dikwijls
afhankelijk zijn van overwegingen en omstandigheden, welke met de zaak zelve weinig
uitstaande hebben. Zoo was het in 1918, zoo was het ook in 1815 toen Nederland
aanmerkelijk kleiner werd dan aanvankelijk in de bedoeling lag en zoo zal gaat
het straks ook zijn. Hoezeer dus de verwezenlijking van onzen wil afhankelijk
zal zijn van de factoren, welke ten deele buiten onze macht liggen, er moet een
wil zijn, die de koers bepaalt, welke onze regeering stuurt.
Duitschland
heeft ons in den oorlog getrokken, de Duitsche bezetting heeft hier groote schade
aangericht. Men heeft de oorlogsschade berekend op 25 milliard gulden op het tegenwoordige
prijspeil. De staatsschuld is thans het vijf a zesvoudige van voor den oorlog;meer
dan 16 milliard gulden schuld heeft onze staat gedurende den oorlog moeten maken,
ten deele in het buitenland. Wie moet deze oorlogsschade dragen ? Die vraag
stellen staat gelijk met haar beantwoorden. De gedachte, dat ons volk de oorlogsschade
zelf zou moeten dragen, dat onze kleinkinderen zouden moeten zwoegen voor de oorlogschulden,
welke wij door het wanbeheer van onze vijanden moesten aangaan, is onduldbaar.
Schade en schulden moeten drukken op de schouders van hen, die deze hebben veroorzaakt,
op het Duitsche volk.
Na den vorigen oorlog heeft men gemeend
de schadevergoeding te kunnen innen door leveringen in natura op langen termijn.
Een ieder weet, waarop de z.g. herstelbetalingen zijn uitgeloopen, dat zij een
volkomen mislukking zijn geworden. De perspectieven thans zijn ongunstiger
dan zij in 1918 waren; het Duitsche productieapparaat is meer vernield en gedesorganiseerd
dan het na den vorigen oorlog was. Nog afgezien van het groote nadeel, dat
de Duitsche industrie de herstelbetalingen heeft gebruikt om zich op de meest
moderne wijze in te richten. Twee eischen moeten aan de schadevergoeding worden
gekoppeld: zij moet inbaar zijn en zij moet op korten termijn geïnd kunnen
worden. Alleen op die manier zal het mogelijk zijn uit de schadevergoeding
de staatsschuld te delgen zonder dat er generaties over heen gaan. Er is slechts
één oplossing, welke de mogelijkheid dopent aan deze eischen te
voldoen annexatie van Duitsch grondgebied met confiscatievan alle roerende en
onroerende goederen, welke in dat gebied zijn gelegen. Deze moeten ten bate van
den staat worden verkocht,die hieruit de schadevergoeding en daarmede de middelen
tot aflossing van de staatsschuld zal putten. Is annexatie de eenige mogelijkheid
voor een snelle afwikkeling van het verleden,zij is evenzeer noodzakelijk met
het oog op de toekomst.
Ons volk wacht nog zware jaren. Wij zullen
ons land weer moeten opbouwen,den ontstane achterstand moeten inhalen,milliarden
en nog eens milliarden zullen noodig zijn om dit herstel te bewerkstelligen,milliarden
die wij slechts vrij zullen kunnen maken door hen op andere wijze aan ons volk
te houden. Maar zelfs indien wij uiterst sober leven,indien wij ons beperken,zal
onze industrie niet groot genoeg zijn om voor het herstel benoodigde goederen
binnen een redelijk aantal jaren voort te brengen. Ondanks groote zuinigheid
zullen wij goederen uit het buitenland moeten betrekken,credieten moeten nemen,schulden
moeten maken,welke in latere jaren weer afgelost moeten worden en dus op onze
toekomst zullen gaan drukken. Om de schade te herstellen hebben wij een grooter
productieapparaat noodig,meer mijnen,meer machinefabrieken enz. Kortom een
grootere productiecapaciteit,in het bijzonder ingericht op de productie van z.g
kapitaalsgoederen. Is het niet billijk,dat hij die de schade heeft aangericht
ook tot het herstel bijdraagt. De schade is een kwestie van betalen,in 1918 meende
men,dat het herstel een kwestie van goederen was. Inderdaad is dit ook het geval,maar
de kwestie gaat dieper:het gaat niet alleen om de goederen ,maar bovenal om het
productieapparaat. Dat productieapparaat is aanwezig in de onmiddellijke nabijheid
van onze oostgrens. Daar liggen landbouwgronden,die onzen onder water gezeten
en bedorven cultuurgrond kunnen vervangen,daar liggen mijnen ,die ons kolen kunnen
leveren,welke voor het herstel noodzakelijk zijn. Daat staan machinefabrieken
en textielfabrieken e.d.die de benoodigde artikelen kunnen leveren.. Moet de Duitsche
industrie gaan profiteeren van het herstel der schade aangericht door het Duitsche
volk aangericht? Die vraag alleen al is ondulbaar.
Fabrieken
zijn verplaatsbaar,grond en mijnen zijn het niet. De eenige mogelijkheid is om
de productiecappaciteit te verschaffen is annexatie van landbouw en industriegebieden
langs onze oostgrens. In het leven van den mensch en van het volk komen momenten
voor,waarop de omstandigheden sterker zijn dan de wil.Het Nederlandsche volk staat
thans in een dergelijke situatie .Het is de pro's en contra's ten spijt gedwongen
Duitsch grondgebied te annexeeren en de daaraan verbonden nadeelen op den koop
toe te nemen. Geen annexatie beteekent geen schadevergoeding,geen mogelijkheid
om de staatsschuld af te lossen,zoodat deze voor generaties op de schouders drukken.
Geen
annexatie houdt in de onmogelijkheid om op eigen kracht binnen een redelijke aantal
jaren de oorlogsschade te herstellen en dwingt ons tot een versobering en beperking
van het verbruik met behulp van belastingen,gedwongen sparen e.d. om productiecappaciteit
vrij te maken ,welke de voor het herstel noodige goederen kan leveren:dwingt ons
m.a.w. het Nederlandsche volk vele jaren in betrekkelijke armoede te doen leven.
Het is niet zoo,dat wanneer annexatie plaats heeft, geen versobering en geen sparen
noodig zou zijn,maar het is een vaststaand feit,dat zonder die annexatie het herstel
langer zou duren,de versobering en het gedwongen sparen veel ingrijpender zouden
moeten zijn en gedurende meer jaren zouden moeten worden voortgezet.