De woning als architectuurelement

Zeventig duizend woningen zullen we gedurende tien achtereenvolgende jaren moeten bouwen om
de woningachterstand in te halen. In de periode tussen de beide grote oorlogen bedroeg de grootste woningproductie per jaar 52,600 stuks. Dat was in 1934, een jaar waarin de materiaalprijzen een dieptepunt bereikt hadden.
In de eerste jaren na de vorige oorlog bedroeg de woningproductie: 1919: 15,500, 1920: 25,000,
192 1: 40,400, 192 2: 45,500. Met deze enkele cijfers voor ogen kunnen we ons een denkbeeld vormen van de omvang van de taak waarvoor degenen die geroepen zijn binnen de kortst mogelijke tijd Nederland weer tot een bewoonbaar land te maken, zijn gesteld. Want men bedenkt wel hoe anders de positie is vergeleken bij die van na de vorige wereldoorlog. Ook toen een grote materialennood, maar er was nog een en ander en er kon betrekkelijk spoedig weer worden aangevoerd, want Nederland beschikte nog over een behoorlijke vloot en ook zijn andere transportmiddelen waren intact, evenals zijn industrie en zijn arbeidsleger.
Toen een geordend land en een accuraat werkend ambtelijk apparaat, een samenleving die wel lichtelijk geschokt werd door klasse conflicten en de strijd tussen progressiviteit en reactie, maar in het groot gezien toch zijn vaste grondslag had behouden.
Thans een chaos op ieder gebied van leven en maatschappij, een in alle opzichten omwoeld land en volk .
De omstandigheden waarin wij thans verkeren zijn stukken moeilijker dan die waarin het verslagen
Duitsland na de vorige oorlog verkeerde. Zij vallen alleen maar te vergelijken met die waarin het Russische volk verkeerde na de periode van burger en interventieoorlogen, met dit verschil dan nog dat dit volk toen kon gaan werken op de basis van een nieuw economisch en maatschappelijk leven, waarvan de grote massa alle heil verwachtte, terwijl thans de bezitlozen van ons volk nog vechten om de erkenning van hun plaats onder de zon en hun rechten op een verzekerd en menswaardig bestaan. In zulke verhoudingenmoet begonnen worden aan de oplossing van een probleem, dat een der
belangrijkste levensvragen van een volk vormt. Het gaat hierom meer, veel meer dan het treffen van louter technische voorzieningen ter bevrediging van een urgente
nooddruft.


Toen Plato de ontwikkelingsgang van zijntheoretische staat wilde tekenen, liet hij Socrates in
een dialoog met Adeimantos een verklaring geven van de grondslagen van de stad die de kern van staat en samenleving zou vormen. Deze grondslagen worden gevormd door de bevrediging van de eerste levensbehoeften van de mens. Van deze levensbehoeften noemt Plato dan in de eerste plaats het voedsel, nodig en voor de instandhouding van het leven. Maar reeds op de tweede plaats zet Plato de woning om dan eerst de en derde plaats in te ruimen voor kleding en schoeisel.
We kunnen moeilij k beweren dat het mensdom zich in zijn ontwikkelingsgang aan de rangschikking van
Plato heeft gehouden. Want al zijn er altijd, in hoe primitieve vorm ook, woningen gesticht, van begrip
omtrent de hoge waarde voor mens en samenleving van deze tweede der levensbehoeften is maar al te dikwijls bitter weinig gebleken. Zelfs tot in de allerjongste geschiedenis, elders maar ook in ons land.
Want Nederland en speciaal Amsterdam moge dan wegens zijn veelomvattende woningbouw na de vorige oorlog tot stand gebracht de naam gekregen hebben van het Mekka der volkshuisvesting te zijn, wie enigszins bekend is met de rampzalige woningtoestanden die nog vlak voor de nu juist beëindigde oorlog in alle steden en meer nog op het platteland men denke aan de veenkoloniën in Drente ! voorkwamen en die nu natuurlijk nog veel ergerlijker zijn geworden, weet maar al te goed hoe weinig verdiend deze roem in feite is.
Wanneer men een vergelijking gaat trekken tussen de woningbouw zoals die in de tweede helft van de
vorige eeuw in grote omvang tot stand kwam en de woningbouw die in deze eeuw, na de afkondiging van
de Woningwet (1901) voltrokken werd, behoeft men over al heel weinig inzicht te beschikken om te kunnen constateren hoe ontzaglijk groot de verandering ten gunste is geweest.
De Woningwet verplichtte iedere enigszins belangrijke gemeente tot het maken
van een uitbreidingsplan. Daarmede kon eindelijk gewerkt worden in de richting van op bepaalde principes berustende stedebouw. Voor het eerst werd meer zorg besteed aan de plattegronden der woningen en aan de ruimtelijke inhoud in verband met de woonbehoefte van de bewoners. Eindelijk ging men beseffen dat ook aan de woning voor den minderen man een architectuurvraagstuk verbonden is. In de periode tussen de beide oorlogen groeiden inzicht, aandacht en architectuur van de woningbouw met sprongen, en ontstonden in een nabij de grote steden woonwijken en tuindorpen die het ook thans nog begrijpelijk maken dat men, een vergelijking trekkende met toestanden op ontwikkeling in andere landen, kon gaan spreken van een Mekka der volkshuisvesting. Beschouwt men echter de zaak op
de keper, dan vervaagt al spoedig de schoonheid van het beeld dat men zich bij oppervlakkige beschouwing had gevormd. Want het blijkt dat maar al te dikwijls achter schone of schijnschone façades nog altijd woningen met een weinig bestudeerde plattegrond, een zeer onvoldoende ruimtelijke inhoud, een onverzorgd interieur en een zeer gebrekkige woontechnische voorziening verborgen liggen, terwijl bouwtechnisch de woningen van de allerslechtste kwaliteit zijn.
Toch is dit nog niet eens de hoofdzaak. Woningen kunnen verbeterd, gerestaureerd of vervangen worden.
Belangrijker is daarom nog dat menig uitbreidingsplan , maar al te zeer beheerst blijkt door factoren die de ontwikkeling van de volkswoningbouw naar de waarlijk goede woning voor de massa des volks belemmert, ja er tot nu toe in geslaagd zijn deze wezenlijk tegen te houden. .
Daardoor ontstaan wijken met veel te nauwe straten, wordt nog altijd veel te weinig aandacht besteed aan de ruimte ontwikkeling van de wijk en de stede bouwkundige en architectonische eenheid daarvan, aan plantsoenering en de betrekking tussen woning en natuur, aan verantwoorde city-vorming en consequente scheiding tussen woon en industriegebieden en de daarmede samenhangende vraagstukken van een doelmatig, goedkoop en geriefelijk verkeer, aan voorkoming van lintbebouwing en aan harmonische op en uitbouw van dorpen, aan de vraagstukken van het streekeigene en de ,
samenhang, ook in de zin van bouwkunst en landschapsarchitectuur, der gewesten of delen daarvan. In het
algemeen dus te weinig aandacht voor een op juiste gronden opgebouwde planmatigheid.
Men kan en moet dit constateren ondanks de waardering die men gevoelen kan voorde vooruitgang welke
ook op dit gebied en in de bewustwording van velen die met deze vraagstukken te maken hebben en in de
practijk te constateeren valt. Maar juist hoe meer men deze vooruitgang opmerkt, hoe meer men ook constateren moet dat de werkelijke sprong naar het goede verhinderd wordt door gebrek aan durf om de boeien waarin de volkswoningbouwen de stedebouw nog gekluisterd liggen te verbreken.
De sterkte van deze schijnbaar onverbrekelijke boeien is gelegen in de nog altijd durende verheerlijking van het privaat bezit als onaantastbare grondslag van de samenleving. Daaruit vloeit voort dat nog
altijd het overgrote deel der woningproductie overgelaten wordt aan het "particulier initiatief", hetgeen in feite neerkomt op het initiatief van de bouwspeculanten en de geldschietende banken, die niet bouwen
om de werkelijke woningbehoefte, om maar niet te spreken van de woonbehoefte te bevredigen, doch
slechts om winst en wel een zo hoog mogelijke winst te behalen. Daaruit komt ook voort de gebrekkige en
uit het oogpunt van gemeenschapsbelang gezien kortzichtige grondpolitiek, die nog altijd veel te veel
ruimte laat voor speculatie in die gronden welke voor de woningbouw onmisbaar zijn en die welke opgenomen behoren te worden in een het gehele land spannend net van bewust op het doelmatige en schone gerichte, harmonisch in elkander overvloeiende urbanistische plannen.
In de duistere jaren van oorlog en bezetting zijn inzichten in de vraagstukken van woningbouwen
daarmede onverbrekelijk samenhangende urbanistische problemen zeer verdiept. Al heeft de bouwnijverheid, voor zoover zij niet gericht was op de afschuwelijkste hulp aan den vijand die men zich denken kan, in deze jaren practisch stilgestaan en is er vanzelfsprekend niet gewerkt kunnen worden aan de verdere uitwerking der urbanistische plannen, toch heeft men niet geheel en al stil gezeten. In een volk dat werkelijk leeft en zeker is van zijn bestaansrecht en van zijn rechtop een plaats onder de zon, kan ook de wreedste druk niet alle initiatief doden. In vele kringen, ambtelijke zowel als particuliere, heeft men tijdig ingezien voor welke problemen het tekort aan woningen dat ten gevolge van de oorlog moest ontstaan, de Nederlandse samen leving zou stellen. Het gehele vraagstuk is ernstig in
studie genomen door de Dienst van den Algemeen Gemachtigde voor de Weder opbouwen ook door
studiegroepen van particuliere architecten, werkend onder de centraliserende leiding van een kerngroep.
Nu met de bereikte resultaten in de openbaarheid kan worden getreden, zal spoedig blijken met hoeveel ernst gewerkt is en welk een denkarbeid aan een redelijke oplossing van het grote probleem der volkshuisvesting en alle daaraan verbonden neven-problemen is besteed.
Al kan hier allerminst beweerd worden dat deze studie als resultaat heeft gehad dat alle betrokkenen de verst gaande en tenslotte enig juiste conclusie, nl. dat gebroken moet worden met het particulier initiatief en het onder alle omstandigheden handhaven van de rechten van het particulier initiatief, zouden hebben aanvaard, toch zal wel blijken hoezeer het begrip omtrent de hoge eisen die aan de woning voor de massa gesteld mogen en moeten worden gegroeid is.
In deze eerste maanden na de bevrijding van ons ge hele land uit de klauwen van de barbaarse rovers is nog weinig te bespeuren van een vaste doelbewustheid naar vernieuwing en verjonging van ons volksbestaan, waarvan zo dikwijls en schijnbaar met zo vaste overtuiging van hogerhand gesproken werd, in de jaren van bezetting. Bij de Hauwen en oppervlakkig schouwenden groeit onmiskenbaar een gevoel van teleurstelling en pessimisme. Voor degenen die vertrouwen hebben in de kracht van de volkswil en de ondanks alle tegenslag en samentrekking van reactionnaire krachten niet te stuiten ontwikkeling naar hoger vormen van menselijke samenleving, ligt de zaak anders.
Zij die dit vertrouwen hebben, hebben ook vertrouwen in de progressieve ontwikkeling van onze architectuur. Meer nog dan reeds in het jongste verleden het geval was, zal de woning het beeld onzer
steden beheersen. Daarmede wordt de woningbouwarchitectuur opgeheven uit de betrekkelijk geringe
positie waarin zij nog altijd verkeerde en ten gevolge van de remmende factoren waarop gewezen werd kunstmatig gehouden werd, tot een bouwkunstuiting van hoge rang. Worden in de nieuwe tijd die komende
is de kluisters verbroken en wordt daardoor de mogelijkheid geopend op de vrije ontwikkeling van de volkswoning op de grondslag van de werkelijke woonbehoefte van een gezond en krachtig levend volk en in overeenstemming met wetenschappelijke en culturele inzchten en de mogelijkheden der techniek,dan zal de woning ook een architecturale vertolking vinden die meer dan tot nu toe het beeld der bouwkunst van ons vaderland zal helpen bepalen.
Het is mogelijk dat in de eerste uiterst moeilijke jaren nog genoegen genomen zal moeten worden met veel dat eigenlijk niet meer verantwoord kan worden.
Doch dit mag niet remmend maar moet juist stimulerend werken op de wil tot het bereiken van de hoogste toppen. Gebeurt dit,dan gaat de woningbouwarchitectuur een schone toekomst tegemoet.


Jac Bot

Back Index