TOEN,
in December .1941 , dit blad door de autoriteiten "wegens papiernood"
verboden werd, gewaagden wij er in een os aan de Kroniek toegevoegde"boodschap
aan de lezers" van, dat wij een wake aan de brug gingen betrekken.Aan de
brug, welke leidde over de steeds dikker wordende duisternis der tijden naar het
nevelig verschiet, waarin de wereld en ons land wederom vrij aan het werk zouden
kunnen gaan.Wij bedoelden deze "wake" als een ons zoveel mogelijk
op de hoogte trachten te houden van wat er op kultureel gebied in ons land,
in de wereld hoe moeilijk dit laatste vooral zijn zou gebeuren zou. Wat wij
vrees- den geschiedde: jaren lang bleven wij afgesloten van al wat er leefde
en groeide in de meeste landen welke onze belangstelling hadden en hebben.
Wij
doelden verder met "wake" op ons voornemen ons, dat is de vaste kern
der redactie, en der voornaamste medewerkers -daadwerkelijk, zo mogelijk, en innerlijk,
in ieder geval, weerstand te bieden aan de golven van geestelijke verwildering
en terreur, welke wij wisten dat door het toedoen der Duitse overheersing over ons
heen zouden slaan. Deze laatste jaren lieten niet na, onze somberste voorgevoelens
verre te overtreffen. 1935- 1941.
Zes jaargangen
van de Kroniek van Kunst en Kultuur. De wereld ging gebukt onder de doem van de
naderende tweede wereldoorlog, die feitelijk reeds in vele harten en breinen ontbrand
was en als een kanker zijn vernietigende sluipbaan door het maatschappelijk en
geestelijk leven vrat. Het kunst leven werd gekenmerkt door een aantal schitterende toppunten,
welker eenzaamheid onderling door weinig of geen wegen verbonden werd, en van
waaruit ook wegen leidden naar de lagere gebieden waar de overige kunstenaars
huisden. Hebben wij voldoende getracht hun waarde te begrijpen en te verkondigen,
, zonder ons op hun eigen-aard blind te staren en deze te verwarren met waarlijke
grootheid ?
Hebben wij voldoende ons best gedaan uit
de massa der talloze begaafden het beste en meest levenskrachtige en hoop. volle
te puren ? Hebben wij er ernstig genoeg naar gestreefd, voorzichtig leiding te
geven en een lijn op tekenen, die, door deze doolhof van hele en halve talenten
heen, zou kunnen leiden naar een "Ievée en masse" van alle
kultuurdragers, ter verovering van de een of andere vorm van vrije gebondenheid
in leven er werken ? Wij menen het gepoogd te hebben, en alle pogen is immers
schoon, naar Willem de Zwijger al besefte en in zijn leven toepaste, ook al
wordt het niet door slagen gevolgd; ook dan, en dan juist, is volhouden noodzaak. Geslaagd
zijn wij zeker niet, en op sommige punter zullen wij zeker gefaald hebben. Wij
zijn er ons echter van bewust dat wij de goede zaak naar ons beste weten gediend
hebben en van dit blad gemaakt hebben, wal wij er tezamen en met onze hulpmiddelen
van konden maken, en misschien was dat juist he tgene, wat vele lezers er van
verwacht hadden. Mochten vele lezer tevreden geweest zijn talrijke brieven bij
het op- houden van de verschijning der Kroniek wezen hierop wij waren het allerminst.
Wij hebben ons, vooral gedurende de laatste jaren vóór en het
eerste jaar tijdens de oorlog, vaak en op velerlei gebied aan handen en voeten
gebonden geweten door beperkingen van verschillende aard. Daar was, bijvoorbeeld,
de fascistische dreiging, waarover in de laatste jaren en in ons land niet
met die dringend noodzakelijke duidelijkheid en openhartigheid geschreven kon
worden, terwijl wij toch vrijwel allen beseften dat het misdadig en gevaarlijk
was ze achterwege te laten. Het onmiddellijke ge- volg hiervan was, dat vele
waardevolle medewerkers niet ronduit schrijven konden wat hun op het hart lag, zodat
hun artikelen er noodzakelijkerwijze op den duur door gingen inboeten aan bezieling
en oprechtheid. Daar was verder de steeds duidelijker wordende stuur loosheid
der kunstenaars en der overige kultuurdragers die, als uiterst gevoeligen,
vaak gingen wanhopen aan het doel van leven en werken, ziende hoe grof en on- verantwoordelijk
een groot deel van de mensheid met het leven en de geestelijke erfenis der talloze
eeuwen van beschaving omsprong. Hoe zouden wij ons tegen dit alles hebben kunnen
verweren, hoe zouden wij door dit alles heen een uitweg hebben kunnen vinden,
enkel met een typografisch goed verzorgd, rijk geïllustreerd blad, en met
zich links en rechts oriënterende artikelen op het gebied der kunst en kultuur
? Een hechte, op sociale en kulturele rechtvaardigheid, zuiverheid en gebonden
vrijheid gebaseerde samenleving zou nodig geweest zijn, om op den duur deze
stuurloosheid te ondervangen. Maar de oorlog kwam,en alle gelijkmatige en vreedloze
ontwikkelingen,zo wij die althans voor mogelijk gehouden hadden,werd definitief
verstoord.
Zo staan wij thans aan de aanvang van onze
zevende jaargang. Aan ons land ontvielen,sinds het begin van de oorlog,enkele
der belangrijkste kunstenaars die het bezat,en nog maakten oorlog en bezetting,het
onmogelijk hn openlijk en naar hun waarde te herdenken. Du Perron,Van Konijnenberg,Brandts
Buys,Vam Gillse,Kromhout,Staal verlieten ons. Vele andere vielen,gelijk Marsman
en Ter Braak,Henriette van Hall,als slachtoffers van het oorlogsgeweld of van
dat der fascistische onderdrukking. Hen allen herdenken wij hier ,in diepe eerbied
en dankbaarheid. Vele belangrijke oudere kunstenaars leven en werken nog,vele
jongeren hebben in dezen jaren door arbeid en inkeer van lijfelijke en geestelijke
strijd met de overheersers getracht zichzelf te vinden. Of het hun gelukt is ,of
het hun mogelijkerwijze gelukken zal,het zal een voornaam deel van onze taak zijn,dit
te gaan onderzoeken. Wie echter een nieuwe Renaissance uit de baaierd der laatsten
jaren verwacht ,loopt gevaarlijk snel op de dingen vooruit. Gepaste critiek vooral
zelfcritiek en zeer harde en zo eensgezind mogelijke arbeid zijn voor ons allen
een dringende noodzakelijkheid. Verwachten wij ,hopen wij op een streng geleid
kunstleven? De Voorzienigheid beware ons daarvoor,zowel voor het feit als voor
de wens ernaar! Dat wij sociale en organisatorische vernieuwingen volstrekt noodzakelijk
achten,is iets dat niets met het wezen van de kunst te maken heeft,noch mag hebben.
Het is,tenslotte,aan de gehele gemeenschap van ons volk onderling,zich dusdanig
te vernieuwen en te verwerkelijken in scheppend streven,dat de kunstenaars zich
weer een deel van een groot en volop levend organisme zullen lunnen gaan voelen.
Wat dit achten wij voor de kunst,voor het gehele kulturele leven een voorwaarde
van te zijn of niet te zijn:dat zijn dragers,uit vrije en vreugdige wil,weer de
dienende funtie zullen gaan innemen,welke sinds de Renaissance opgegeven is.
Een
eerste vereiste tot het versterken van onze nationale kultuur,achten wij een gestadig
en levendig internationaal contact,een der grondbeginselen van dit blad trouwens.
Vooral nu,daar wij welhaast vijf jaar verstoken bleven van alle diepgaande uitwisseling
van gedachten en hun resultaten,gaan onze eerste gedachten uit naar die plekken
in d wereld waarin gehele of gedeeltelijke vrijheid het scheppingsproces voortgang
vinden kon. Wat gebeurt daar? Vragen wij ons vol spanning af. Wat werd en wordt
er in Noord en Zuid -Amerika ,in Engeland en Spanje en andere landen welke al
jaren bezet gebied waren tot stand gebracht? Voorwaar een zware,maar dankbare
taak voor ons en onze medewerkers om dit te onderzoeken.
Gewond
en bloedend is de wereld,is ook ons volk uit deze oorlog opgestaan,aangenomen
dat wij al geheel en al opgestaan zijn. De ongetelde slachtoffers hebben er recht
op,dat wij ons zeer diep bezinnen op wat de laatste jaren geschied is,dat wij
ons niet minder diep bezinnen ,alvorens wij verder gaan,de vrede en de nieuwe
samenleving in. De schuld van al onze voorbije gruwelen moeten wij niet enkel
bij onze vijanden zoeken:ook in ons,in de geheele mensheid scholen de kiemen van
al dat kwaad,en het is nog zo zeker niet dat ze geheel verdord en niet meer kiemachtig
zijn! Het is met deze zeer ernstige gedachten,maar toch met vreugde en vol
goede moed,dat wij onze taak als redactie na een onderbreking van bijna vier jaar
hervatten.