Kolen halen is een vervelend
karwei. Men neemt een kit, een kolenschop, gaat naar kelder of zolder, bukt zich
over een wintervoorraad anthraciet of parelcokes, schept de kit vol en keert dan
terug naar de huiskamer ,waar Moeder "dank je" zegt, de kachel opnieuw
voorziet en allen in een behagelijke stemming bijeen zijn, zonder te bedenken
wat er verder nog aan kolen of aan kolen halen vast zit. Zoo was het althans
vóór den oorlog, toen de post ons nog het ongevraagde bestelformulier
van den kolenhandelaar thuis bezorgde en het opslaan van veertien, zestien of.
achttien. mud kolen in het najaar even vanzelfsprekend was als de groote schoonmaak
in het voorjaar. In de oorlogsjaren en in het bijzonder in den laatsten oorlogswinter,
heeft iedereen zich veel intensiever met het kolenprobleem bezig gehouden en sedert
weten wij dat het dagelijksche leven onhoudbaar moeilijk wordt zoodra de kolentoevoer
stagneert. Zoolang er bij ontstentenis van voldoende scheepsgelegenheid en
deviezen, weinig of geen invoer uit het buitenland kan zijn, is Nederland aangewezen
op de productie van het Limburgsche mijndistrict.
1600
meter onder den grond tast de opzichter met een ouderwetsche mijnlamp de gang
af,op zoek naar gas .
Duizenden werken bovengronds. Transport van
mijnhout met diepkarren.
Schaften
op een diepte van 1200 meter . er is geen tijd om naar de cafetaria te gaan.
Heerlijk
zoo'n bad. Daar knapt den mensch van op.
Diep
onder dit ,liefelijke begroeide Limburgsche heuvelland loopen daar door de aardkorst
de rijke steenkolen-aders. Honderden meters onder de oppervlakte ligt daar het
zwarte goud, de en bron van warmte, van energie en van welvaart. Zonder deze bronnen
aan te boren en energiek te exploiteeren, zouden wij, menschen van dezen tijd,
niet in leven kunnen blijven op de breedtegraad, die wij ons tot woonplaats hebben
gekozen. In den zomer verkwikt ons de zonnewarmte, die wij om niet ontvangen,
maar ook in de killere en in de zeer gure jaargetijden hebben wij de warmte van
noode en in alle jaargetijden heeft de moderne mensch behoefte aan versch gebakken
brood, aan gas en electriciteit voor verlichting en allerlei krachtinstallaties
en aan nog zooveel méér nuttige dingen, die allen ten nauwste verband
houden met het productiecijfer van de Emma, de Staatsmijnen Hendrik, Wilhelmina
, en Maurits en de particuliere mijnen Oranje Nassau I, II, III en IV, de Willem
Sophie, de DomaniaJe, de Lauira en Vereeniging en de Julia, die daar ginds in
het Zuiden van Neêrlands zuidelijkste provincie. Hoe stond en hoe staat
het met die productie cijfers? Zij waren reeds vóór den oorlog naar
verhouding hooger dan waar ook ter wereld. Er zijn in het buitenland weinig mijnen,
die zóó goed geoutilleerd zijn en zóó intensief en
veilig! -geexploiteerd worden als de Zuid-Limburgsche. Reeds een tiental
jaren geleden schommelde de totale productie van het Zuid-Limburgsche mijndistrict
tusschen de twaal en dertien millioen ton per jaar. In de jaren '40 tot '43 wist
de Duitsche bezetter déze jaarproductie te handhaven. .Wel werd er, toen
de kolen oostwaarts gingen, door onze Limburgsche "kompels"veel sabotage
bedreven, maar het efféct ging in die eerste vier oorlogsjaren vrijwel
verloren door het invoeren van Zondagsarbeid en een onmenschelijk jaagsysteem.
De bevrijding van Zuid-Limburg veroorzaakte een sterke daling van het productie-cijfer.
In
1943 bedroeg het nog 12.497.000 ton,in 1944 daalde het tot 8.312.000 ton en in
het thans achter ons liggende bevrijdingsjaar zakte het verder tot 5.097.000 ton,
of tot bijna een derde van het door ons aanvankelijk buiten beschouwing gelaten
topjaar 1937, toen de productie 14.321.00 ton bedroeg!
Oningewijden
zullen zich verbazen en zich afvragen waarom de Limburgsche "koelpieten"
zich niet beter inspanden toen zij de zekerheid hadden dat de gedolven kolen voortaan
weer in eigen land zouden blijven. Wij willen trachten de verklaring zoo kort
mogelijk samen te vatten. In September 1944 werd het Limburgsche district te vroeg
bevrijd. Onze bevrijders hadden aanvankelijk slechts tot de Maas willen oprukken,
maar de Duitschers zetten hun zegerijke terugtocht" voort tot voorbij de
Duitsche grens. De geallieerde legerleiding hield toen rekening met de mogelijkheid,
dat zij bij een tegen-offensief dit gebied weer prijs zou moeten geven en
derhalve werden er geen voedsel voorraden voor de burgerbevolking meegevoerd.
Onder de Duitschers -die daarmede hun eigenbelangen dienden -kregen de mijnwerkers
extra voeding voor hun zeer zwaren arbeid. Zonder hun brood mit sjenk" (ham
of hamspek) kunnen zij "in den koel" niets uitrichten, laat staan met
een dagrantsoen van 800 calorieën, waarop zij toen van September '44 tot
medio Januari zoo ongeveer waren aangewezen. Nadien werden de rantsoenen weer
opgevoerd en hadden er regelmatig verstrekkingen plaats van textielgoederen, schoeisel
en andere noodzakelijke artikelen, maar nog heel lang bleven de verbindingen met
de mijn zeer slecht, omdat alle autobussen waren weggehaald, de locaaltreintjes
nog niet reden, er slechts weinig fietsen en geen banden waren. Wie ondanks het
verklaarbare gebrek aan arbeidslust aan het werk ging, wasvoor elke "schicht"
vijftien of zestien uur van huis,want de kolonies -geriefelijke wooncomplexen
liggen vaak op grooten afstand van de mijn. Er was veel verzuim: ook hier ging
men tot in den verren omtrek den boer op om kleeren voor voedsel te ruilen en
last not least was in deze overgangsmaanden het arbeidsleger der mijnen tot driekwart
gedund.
1945 bleef de maandelijksche productie beneden
de 400.000 ton, van Juli tot October steeg zij tot boven dit cijfer en in
October en November tot boven de 600.000 ton. De vacantiedagen in December
hadden tot gevolg, dat de productie weer zakte tot 505.000 ton; in de thans loopende
maand zullen onze "koelers" wel.voor een aanmerkelijke stijging zorgen.
Deze cijfers spreken duidelijker taal wanneer men weet, dat een minimum-productie
van dan 100.000 ton per maand noodzakelijk is om de eerder aangewezen en pas weer aangewezen
bonnen voor huisbrand te honoreeren en zich herstellende Nederlandsche industrie
zooveel kolen te geven, dat zij geleidelijk weer kan gaan voorzien in de behoefte
aan een aantal der meest noodzakelijke goederen. En een vergelijking van deze
cijfers verklaart dan tegelijk, waarom U en wij nog steeds moeten wachten op de
tweede aflevering van kolen, nu er juist dezer dagen al een derde en voor Maart
en April nog een vierde in het vooruitzicht is gesteld. Waarop onmiddellijk
moge volgen, dat U en wij ons zullen troosten met de gedachte, dat wij Dezen
winter ook ten aanzien van de brandstoffen er toch altijd nog héél
wat beter aan toe zijn dan verleden jaar, toen wij met ons inmiddels verroest
"wonderkacheltje" zaten te tobben.
Voor
hard en moeilijk werk extra bonnen. Tienduizenden worden er uitgegeven.
Bij
den portier krijgt iederen mijnwerker een penning met zijn eigen nummer. Gebeuren
er ongelukken,dan kan het metalen plaatjes identificatie vergemakkelijken.
In
het Limburgsche mijndistrict suizen de liften op en neer in de mijnschachten.
De houwers ,de stutters, de sleepers en de slaven doen er diep onder den grond
hun best om U en ons,onze gas en electriciteitsfabrieken, onze spoorwegen ,onze
sleepboten en onze industrieën aan kolen te helpen. Op hun noeste arbeid
blijft onze hoop gevestigd en in gedachte roepen wij deze werkers in sjeuïg
Zuid-Limburgsch een welgemeend : "Jliiiick oof!" toe.
Met
een ontbloot bovenlichaam,werkend in vochtig gruis,drijft de houwer zijn pneumatische
boor in de kolenlaag.