Aan handwerken hebben van oudsher bijna alle vrouwen, uit verveling of pure liefhebberij, vele uren van hun leven gewijd. Naaigerei en textilia uit vroeger tijden weerspiegelen het dagelijkse leven.

Handwerken wordt over het algemeen gezien als een louter vrouwelijke aangelegenheid. Zo is het handwerkonderwijs altijd uitsluitend aan meisjes voorbehouden geweest. Natuurlijk hebben ook mannen het textielambacht beoefend, maar dan om
er de kost mee te verdienen. Zij werkten tot in de 18de eeuw in gildeverband en later in ateliers, weverijen, spinnerijen of als kleermaker.
Het thuis naaien of handwerken werd door vrouwen gedaan, meestal uit financiële noodzaak:
kleding en linnengoed moest worden gemaakt en onderhouden. Geld om het uit te besteden was er niet. Naast het werk voor het eigen gezin werd, om wat bij te verdienen, soms wel naai en verstelwerk in opdracht van burgers verricht.
Het handwerken door welgestelde vrouwen werd meer uit liefhebberij bedreven. Zij hadden tijd en
geld om naast de 'nuttige handwerken' wals naaien, breien, stoppen en verstellen ook de 'fraaie handwerken' wals borduren te beoefenen.
Het handwerken van de vrouw was niet alleen praktisch, het gold bij uitstek als symbool van deugdzaamheid. Het stoppen van sokken, maar ook het borduren van kussens was een teken dat zij haar tijd niet in 'ijdelheid en ledigheid' doorbracht,
zich niet inliet met allerlei nutteloos tijdverdrijf maar altijd iets om handen had en haar tijd nuttig
besteedde. Deze moralistische visie heeft er tot bijna op de dag van vandaag toe bijgedragen dat vrouwen, ook wanneer de materiële noodzaak daar niet voor bestond, hun tijd besteedden aan handwerken.


Merk en stoplappen
Als overblijfselen van het handwerken uit vroeger tijden behoren merklappen tot de bekendste en best bewaard gebleven textilia. De oudste merklappen dateren uit het einde van de 16de eeuw. Vanaf die tijd werden steeds meer huishoudelijke
goederen, waar het linnengoed een onderdeel van vormde, aangeschaft. Ook aan de verzorging van het
linnengoed werd steeds meer aandacht geschonken.
Het schoonhouden van dit textiel gaf echter problemen. Zeepprodukten waren van slechte kwaliteit, zodat het witte linnengoed na verloop van tijd vlekken en verkleuringen begon te vertonen. Na het schoonmaken werd het linnen naar blekerijen gebracht, waar het op grote velden in het zonlicht gebleekt werd. Om vergissingen of diefstal op de
bleekvelden te voorkomen was men verplicht het linnen van duidelijke merktekens te voorzien.
Door middel van geborduurde initialen werd de eigenaar aangeduid. Een cijfer liet zien hoeveel stuks iemand van een bepaald soort textiel bezat, bijvoorbeeld twaalf servetten of vier slopen.
Om de technieken van het merken en versieren van linnengoed te leren, oefenden jonge meisjes op scholen tijdens de handwerkles op linnen proeflappen het alfabet, getallenreeksen, merktekens en eenvoudige motieven.
Naast het merken en versieren diende ook het zorgvuldig herstellen van textiel te worden geleerd.
Dit gebeurde op genoemde stoplappen. De oudste bewaard gebleven stoplappen dateren uit het einde van de 17 de eeuw en zijn Nederlands. Om het stoppen te leren werden gaten in een linnen lap stof gemaakt, die met naald en draad werden opgevuld, waarbij verschillende bindingen van weefsels dienden te worden nagebootst. Ook het mazen of stoppen van gaten in breiwerk werd op deze lap geoefend. Omdat het maken van een stoplap nogal wat ervaring vereiste werd deze doorgaans pas door gevorderde leerlingen, vanaf het 14de jaar gemaakt.
In de 18de eeuw was vervolgonderwijs na de lagere school, op kostscholen of door gouvernantes, slechts weggelegd voor dochters van de welgestelde families. Dit betekent dat ook het onderwijs de techniek van het stoppen alleen aan de beter gesitueerden was voorbehouden. De meeste meisjes, vooral uit de minder gegoede families, gingen echte maar tot hun twaalfde jaar naar school. Daarna kwamen ze soms bij een wollen of linnennaaister te werken om het vak te
leren. Wanneer ze in een weeshuis waren opgegroeid bleven ze na de lagere school vaak in de aan deze weeshuizen verbonden linnen en wolwinkels werken. Hier werden naai of verstelopdrachten van derden, het zogenoemde 'buitenwerk', uitgevoerd.
Nuttig en fraai
Het lijkt tegenstrijdig dat de dochters van welgestelden moesten leren hoe zij textiel dienden te rrepareren als zij later toch over voldoende personeel zouden beschikken om dit werk uit te besteden. De achterliggende gedachte was echter dat
met het onderwijs in de 'nuttige' handwerken de meisjes een algemeen gevoel van zuinigheid en netheid kon worden bijgebracht.
Naast de nuttige handwerken werd op de chique kostscholen ook in de fraaie handwerken onderwezen. Borduurwerk was een belangrijk statussymbool en is op veel kleding en accessoires uit de 17 de eeuw terug te vinden. Vooral het zogenoemde 'nutteloze' borduren (het vrij borduren van afbeeldingen zoals bloemmotieven met behulp van
een borduurraam) werd als essentieel onderdeel van de opvoeding van gegoede jongedames gezien.
| |
|
In de 18de eeuw werden de handwerken nog luxueuzer uitgevoerd dan in de eeuw daarvoor en hiervoor werd op de kostscholen de 'fraye handwerken in perfexie' onderwezen. Naast de merk en de stoplap werd door de meisjes nu ook een borduurlap gemaakt. Hierop oefenden zij steken
en motieven ter versiering van voorwerpen als tasjes speldenkussens, boekenomslagen en bijvoorbeeld schoenen, Door middel van miniatuur-stoffenwinkeltjes of linnenkamers werd ook wel aanschouwelijk onderwijs gegeven om warenkennis. |
|
Naaldgerei
Vrouwen zijn in de loop der eeuwen vaak geportretteerd terwijl zij met een handwerkje bezig waren, Op die manier hadden zij tijdens het lange poseren iets te doen en tegelijkertijd werd de druk gegeven dat zij hun tijd nuttig besteedden,
OP 16de en 17de eeuwse schilderijen hebben vrouwen vaak een naaikussen op hun schoot liggen. Zo'n kussen diende om het handwerk op vast te spelden, terwijl de handen er tijdens het werken op konden rusten. Het is een stevig kussen,
bekleed met fluweel. Sommige exemplaren zijn in twee helften open te klappen. In de helften bevinden zich vakken die met soms rijkelijk versierde dekseltjes zijn afgesloten. De vakjes in het kussen dienden om het naaigerei in op te bergen. Vaak was het naaikussen voorzien van een slot, zodat kostbare attributen zoals kant er in bewaard konden worden. Vooral spelden waren kostbaar en kwamen vaak als huwelijksgeschenk in het bezit van de vrouw.
Vrouwen handwerkten niet alleen thuis, ze namen het werk ook mee voor kerkgang of familiebezoek, om toch maar alle ledige minuten nuttig te besteden. In de 16de of 17 de eeuw, toen de kleding veelal nog niet van zakken was voorzien, werd het naaigerei meegedragen aan een chatelaine. Dit is een lange zilveren of gouden ketting die aan de
rokband hing en waaraan handwerk attributen als een schaart je, naaldenkoker of speldenkussen
werden bevestigd.





Daarnaast werd ook vaak een kluwenhouder mee gedragen. Een kluwenhouder is een meestal zilveren hanger waaraan, wals de naam al zegt, een kluwen wol voor het maken van een brei of haakwerkje kon worden bevestigd. Dergelijke attributen werden nog tot ver in de 19de eeuw algemeen gebruik.
Gezinsleven
Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw is sprake van een steeds hechter wordend gezinsleven.
Een innig contact met de kroost en nieuwe ideeën over opvoeding vinden in deze tijd hun oorsprong.
Een gezin, knus bijeen in de woonkamer vader leest de krant en moeder neemt een naaiwerkje onder handen is een veelgezien tafereel op 19de eeuwse schilderijen.
Het belang van het huiselijke handwerken en de opvoedende functie die daarvan uitging, werd onderstreept door de grote variëteit aan handwerk accessoires die in deze tijd door de burgerij werden aangeschaft. In de woonkamer kreeg zelfs een speciaal voor het handwerken ontwikkeld meubeltje, het naai of werktafeltje, een plaats. Het kleine
houten meubel, vaak op drie of vier poten, bestaat uit een stoffen zak waarin naai of breigoed verzameld werd, hangende onder een lade met blad waarin vakjes en dozen ruimte bieden aan haak pennen, knopen, garen, spelden en naalden.



Ook als de familie een dagje uit rijden ging of een langere reis maakte, kon het handwerken gewoon doorgang vinden. Op het platteland werd nog vaak gebruik gemaakt van chatelaines, terwijl de stadse drachten al voorzien waren van zakken en tassen, waarin naaiétuis meegenomen werden.
Waar handwerken voor het arbeidersgezin vooral gebeurde om geld uit te sparen, gold voor het burgergezin meer de emotionele functie van handwerken.
Halverwege de 19de eeuw kwamen de eerste handwerktijdschriften op de markt. Bekende namen waren Aglaia' , 'Penelope', 'De Gracieuse' en 'De Bazar'. Hierin werd vooral veel aandacht besteed aan de fraaie handwerken. Naast aanwijzingen en voorbeelden voor het thuis handwerken, stonden er voorbeelden in van de nieuwste Parijse
modes die konden worden nagemaakt.


Inkomstenbron
Voor welgestelde vrouwen had het nuttige handwerken voornamelijk een sociaal doel; het maken van kleding voor de armen, Ze gaven ze rechtstreeks of verkochten hun handwerkjes op bazars, waarvan de opbrengst de onbemiddelde medemens blij moest maken. Er zelf wat aan over houden was uit den boze; de dames mochten vooral niet de indruk wekken in materiële nood te verkeren.
Met de groei van de burgerij en de steeds grotere gezinnen in de 19de eeuw dalende kindersterfte moesten veel vrouwen juist wel voor de kost werken. Voor hen stichtte Betsy Perk in 1871 de vereniging Arbeid Adelt. De vereniging organiseerde de verkoop van handwerken gemaakt door de armere vrouwen uit de burgerij om hen wat extra inkomsten te verschaffen. Zoals de naam van de vereniging al aangeeft, vond zij dat arbeid geen schande mocht zijn. De namen van de handwerksters die bij Arbeid Adelt waren aangesloten waren dan ook openbaar. Niet ieders gêne was daar tegen opgewassen: in 1872 splitste zich een groep af, Tesselschade genaamd, waar de werksters anoniem , werkten. Beide verenigingen bleven naast elkaar bestaan en waren op dezelfde manier georganiseerd: de meestal gehuwde dames werkten als vrijwilligsters in het openbaar om verkopen te organiseren, de 'werksters', vaak ongehuwd, ploeterden
thuis aan hun handwerken. Arbeid Adelt en Tesselschade zijn tot op de dag van vandaag blijven bestaan.
Voor arbeidersvrouwen was het naaien, in fabrieken, ateliers of thuis, eigenlijk het enige beroep waar ze ook na hun huwelijk nog wat mee konden bijverdienen. Ze werkten tegen stukloon en moesten zelf het garen bekostigen. De naaimachine, in 1850 op de markt maar pas na 1900 op grote schaal beschikbaar, leek aanvankelijk een grote
verlichting. Maar de machine, na verloop van tijd elektrisch leverbaar, drukte de prijs van het stukloon, zodat de thuisnaaisters om hetzelfde loon te bereiken een hogere productie moesten halen.

Kunst en professie
De handwerkverenigingen drongen er aan het einde van de 19de eeuw sterk op aan om niet alleen van het nuttige maar ook van het fraaie handwerken een volwaardig vak te maken. Daartoe werden de opleidingen verbeterd. De fraaie handwerken werden omgevormd tot 'kunstnaaldwerk' en kregen in de sierkunstopleidingen een plaats naast
andere vakken als die voor zilversmeden of meubelmaken.
Moderne ideeën over het kunstnaaldwerk maakten rond 1900 deel uit van de Nieuwe Kunst, die een
ontwerpmethode op geometrische grondslag propageerde. De regelmatige structuur van de te borduren stoffen en stramien en leende zich hier uitstekend voor. Het handwerken was met de kunstnaald beweging van een geliefd huisvlijt
een onderdeel van de gerespecteerde sierkunsten geworden.
Naast kunstonderwijs werd ook het technisch vakonderwijs voor het handwerken aan het einde van de 19de eeuw sterk verbeterd. Er kwamen industriescholen met opleidingen tot vakleerkracht in handwerken of kostuumnaaien en mode-
vakscholen leidden op tot costumiere of coupeuse.
Van handwerken was een volwaardig beroep te maken. Zover kwam het echter zelden; de meeste vrouwen volgden de opleidingen vooral omdat de pgedane kennis hen ook later in de eigen huishouding van pas zou komen.
De industriescholen leverden vooral personeel voor de vanaf het begin van deze eeuw groeiende confectie-industrie. Door de dalende prijzen kwam goedkope, industrieel vervaardigde kleding na de Tweede Wereldoorlog voor de meeste gezinnen binnen handbereik. Hiermee verloor het thuis naaien langzaam zijn noodzakelijke karakter.
Vrijwel tegelijkertijd met deze ontwikkeling werd het thuis naaien een hobby. Was een zelfgebreide trui in de jaren vijftig een teken van armoede, nog geen twintig jaar later sponnen en verfden vrouwen, hiertoe aangezet door talloze brei en
handwerkbladen, hun eigen wol om er een geheel eigen unieke creatie van te breien.
Index
Bron:K&K