De edele kunst van het roken

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabaksvaatje dat in de 19de eeuw in Nederland werd gemaakt.
 
Tabaksdoos van schildpad uit de 17de eeuw
 
Vier Goudse pijpen die omstreeks 1620-1640 in Nederland werden gemaakt.
 
Uit wortelhout gemaakte Ulmerpijp.

Pijpenkoppen uit de 19de eeuw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

19de eeuwse kwispedoors van opalineglas
 
Kwispedoor van Chinees porselein uit de 18de eeuw
 
 
 
 

 

Doek van Jan Olis soldaten in een interieur(1640).Op dit schilderij wordt nogal nadrukkelijk gerookt,vooral door de jonge officier op de voorgrond. Soldaten en zeelui werden geassocieerd met roken. Het veronderstelde hallucinerende effect van roken zag men vaak in samenhang met het overmatige gebruik van bier en wijn.

 

Tabak,sinds omstreeks 1550 in Europa bekend,veroverde in hoog tempo een plaats als geneesmiddel en vooral als genotsmiddel. Met name in zijn laatste kwaliteit zorgde dit edele kruid vanaf 1630 voor talrijke gebruiksvoorwerpen.

In de loop van de 16de eeuw leerden Engelse en Nederlandse zeevaarders op de kusten van Virginia van de indiaanse bevolking het roken van tabak. Dit duivelskruid zoals men toen al zei was geliefd aan boord van de koopvaardijschepen,waar de bemanning er de honger mee stilde,terwijl het kauwen van tabaksbladeren als probaat middel tegen scheurbuik gold. De hallucinerende werking van tabak zorgde bovendien voor een aangename vlucht uit de harde sleur van de zeeman. Aanvankelijk stond de burgerij niet erg positief tegenover de gewoonte om 'roock te drincken.'

Pas omstreeks 1620 vond het roken van tabak algemeen opgang. Pijproken werd zelfs modieus en tabak werd het voornaamste genotmiddel. Het eerste en lange tijd enige 'rookgereedschap' was de kleipijp, geperst uit een fijne witte klei. Omdat tabak erg duur was, was de kop van de pijp bijzonder klein, wat tevens het voordeel had dat de onregelmatige roker niet meteen door een over vloed aan nicotine onwel raakte.

Tabagie
Aanvankelijk concentreerde het tabaksgebruik zich in de tabagie, de tabakskroeg, waar men de pijp rond liet gaan of een gestopte pijp kocht.
.Dergelijke kroegen werden vaak door een " 'toebackster' gehouden. Zij verkocht pijpen en tabak. De tabak werd tot het midden van de 17de eeuw in strengen gesponnen en de consument kerfde deze zelf met behulp van een gewoon tafelmes op een houten plankje. De pijp werd aangestoken met een gloeiend kooltje uit een aardewerk vuurtest, die ook elders in het huishouden werd gebruikt. Het roken werd afgewisseld met bier drinken en daarnaast nuttigde men in de tabagie mosselen en oesters. Naast mannen bezochten ook vrouwen de tabakskroeg om een pijpje te roken, het geen overigens hun reputatie geen goed deed.
Pas rond 1630 verbreidde de gewoonte van het roken zich naar de hogere lagen van de bevolking en langzamerhand werd ook in huiselijke kring gerookt. Gevolg was dat steeds meer zorg aan het rookgerei werd besteed. De eenvoudige, breekbare
pijp werd langer van steel en de ketellijn kreeg een meer afgewogen uiterlijk. Ook trad standaardisering op in lengte en onderscheid in kwaliteit.
De fijne pijp was langer van steel en zorgvuldig gepolijst, de grove pijp was kort en eenvoudig afgewerkt. Een kleine, eivormige tabaksdoos diende om het kruid mee te kunnen nemen. Vanwege de nauwe opening in de pijpenkop werd in het scharnier van de tabaksdoos een stampertje aangebracht om de tabak goed te kunnen aandrukken. Juist aan die stampertjes herkent men de vroegste-messing tabaksdozen. Doosjes werden zowel gegoten als gehamerd en op velerlei manieren versierd. Bij de gegoten doos beschikte men over een mal en werden er dus series van gemaakt. De gegraveerde doos kon verschillende voorstellingen krijgen, al neigde de ambachtsman ertoe zijn best verkopende voorstelling steeds opnieuw te graveren. Bekende taferelen waren profielplaatjes van steden of de personificatie van de smaak. In de eivormige dozen werden soms ook exclusieve materialen als schildpad, hoorn en parelmoer verwerkt. Slechts een enkel exemplaar is van zilver.

Goudse pijpen
Gedurende de hele 17de eeuwwaren de kleipijp en de tabaksdoos de voornaamste attributen voor de roker. In Gouda ontwikkelde zich de kwaliteit van de pijp tot grote hoogte, terwijl door prijsconcurrentie het product relatief goedkoop bleef. Dat leidde vanaf 1650 tot een concentratie van de productie in die stad.
Zowel de ketel van de pijp als de omvang van de tabaksdoos namen na 1640 toe. De roker raakte gewend aan de nicotine en verlangde meer tabak te roken. De dubbelconische pijp werd trechtervormig, terwijl de kleine ovale tabaksdoos groter en platter werd. Dit laatst had ook met het nauwer worden van de kledij te maken.
Foedralen, doorgaans voor twee lange Goudse pijpen, kwamen in de 17 de eeuw weinig voor en er zijn derhalve maar een paar bewaard gebleven.
Ze werden in de koloniën gemaakt, waardoor veelal ivoor, been of schildpad voorkomt.
Naast de kerftabak waarvan men de rook inhaleert, nam vanaf 1680 de gewoonte om tabakspoeder te snuiven toe. Bleef roken gereserveerd voor mannen, een snuifje was ook voor vrouwen en zelfs kinderen weggelegd. Snuiftabak werd bij de bereiding gesausd met voornamelijk zoete stoffen.
Daarna werd de tabak gesponnen en met een bindtouw samen gebonden. Zo ontstond een carot,een brood van tabak,dat door de snuifmolenaar tot poeder werd vermalen. In de snuifwinkel werd deze in de bekende Delftse snuifpotten opgeborgen. De koper zelf kon melanges laten aanmaken .
De liefhebber van het snuiven beschikte over een snuifdoos om zijn neuskost te bewaren. Vooral in deze dozen hebben kunstenaars en ambachtslieden zich uitgeleefd en in het sociale verkeer vervulde de snuifdoos een belangrijke functie als praatstuk.
De kostbaarheid onderstreepte de welstand van de gebruiker ,de artistieke vormgeving zijn goede smaak,terwijl een actuele of politieke voorstelling zijn maatschappellijke betrokkenheid benadrukte.
De snuifdoos werd zo een geschenkartikel bij uitstek en speciaal in vorstelijke kringen in de 18de eeuw werden ze geliefde verzamelobjecten.
Natuurlijk kennen de kostbare vorstelijke dozen hun burgerlijke tegenhangers. De meer eenvoudige snuifdoos is van gedreven of gegraveerd zilver ,in Nederland vaak versierd met scènes gewijd aan de liefde en het huwelijk. De menselijke moraal laat zich op deksels en bodems van snuifdozen in den brede volgen.

Geparfumeerd snuiven
De grote populariteit van de snuiftabak is mede te danken aan de sterke parfumering ervan. In tijden waarin het met de hygiëne droevig gesteld was ,gold snuif als een probaat middel tegen vieze luchtjes.
In tegenstelling tot het roken ontwikkelde het snuiven zich in hoge matschappelijke kringen om vervolgens af te zakken naar de burgerij. Bij de adel verdrong het snuiven het roken zelfs vrijwel volledig.
De bloeitijd van de snuifgewoonte lag tussen 1720 en 1760 ,maar het gebruik handhaafde tot ver in de 19de eeuw. De populariteit van de papier-maché snuifdoos ,van 1800 tot 1850,illustreerd de interesse voor de snuiftabak in het burgerlijk milieu.
Een opmerkelijk voorwerp dat met het snuiven te maken heeft is de handrasp. Wie gesteld was op verse tabak bediende zich van een handcarot ,een kleine tabakscarot en een handrasp.
Deze handrasp is meestal van palmhout of ivoor vervaardigd en heeft een ijzeren rasp over een holle rug waarin de geraspte tabak werd opgevangen.
Beroemd zijn de raspen van ivoor die in de Franse kustplaats Dieppe zijn vervaardigd. Gebruikte materialen en toegepaste voorstellingen wijzen erop dat deze raspen alleen voor de rijken bestemd waren.
Een onmisbare accessoire tenslotte was de zakdoek. Het neuspoeder kriebelde en leidde dus tot niezen; een waarschuwing voor aandoeningen aan de slijmvliezen.

Meerschium
In de 18de eeuw handhaafde het pijproken zich naast het snuiven. De traditionele Goudse pijp, in steeds perfecter vorm met ragfijne en kaarsrechte steel, bleef geliefd. Vanwege het grote rookcomfort van deze pijp, waarvan de tabaksrook altijd mild smaakt en de pijp door zijn poreusheid altijd droog rookt, bleven concurrerende materialen op afstand.
Het meest verwant was de porseleinen pijp.
Porselein is echter te vast van scherf waardoor de tabakssappen die bij het roken vrijkomen niet geabsorbeerd worden. Bovendien geleidt porselein de warmte slecht en de rook komt heet en dus smakeloos op de tong. Door de gladde materie zet zich in de pijpenkop geen koollaagje af voor een goede brand en prettige smaak onontbeerlijk. In de 19de eeuw werd de porseleinen pijp een pronk of souvenirartikel in de ovale ketelvorm, de zogenoemde stummel, die dikwijls door thuiswerkende schilders, 'Hausmaler' geheten, gedecoreerd werd.
.Een beter materiaal, maar eveneens bestemd voor de welgestelde 'roker is de meerschuimpijp. Deze delfstof is een verwerings produkt van waterhoudende kiezelzure magnesia. Meerschuim is in Turkije ontdekt en in de 18de eeuw raakte meerschuim ook in ons land bekend, nadat in Weense werkplaatsen meerschuimpijpen in grote aantallen
werden vervaardigd. Ze hebben een ivoorwitte kleur en door de poreuze materie kleuren zij, na lang roken, via honinggeel naar alle denkbare bruintinten. Sterke eigenschappen van meerschuin zijn het lage gewicht en het grote absorptievermogen, waardoor de rook altijd droog en mild smaakt. Ook hout is voor de produktie van pijpen aangewend, al slaagde men er in de 18de eeuw nog niet in een harde houtsoort te vinden die voldoende vuur en warmtebestendig is.

In de 19de eeuw werden sigaren gerookt met sigarenpijpen. Meestal werden deze pijpen van meerschuim gemaakt. Hier een aantal voorbeelden van andere materialen zoals papier-maché,leer en schilpad zijn gemaakt.

Gewalste dozen
De tabaksdoos van de 18de eeuwser was van messing, langwerpig en met afgeronde hoeken of achtkantig. De voorstellingen overwoekeren doorgaans de doos en onderwerpen als bijbel scènes, stadsgezichten, huiselijke en liefdestaferelen blevenmpopulair. De graveerstijl is lineair uitgevoerd en met een burijn een driehoekige metaalbeitel aangebracht. Alleen in de Duitse plaats Iserlohn werden deze dozen met een reliëfvoorstelling gemaakt.
De voorstelling werd soms specifiek op Nederland gericht en in serie gemaakt met behulp van een walsmachine.
Vanzelfsprekend bleef er ook nog vraag naar duurdere tabaksdozen. Het model vertoonde overeenkomst met de messing dozen en de gebruikte materialen waren zilver, schildpad, roggehuid en walvisbalein. Voor gebruik binnenshuis ontstond de tabakspot. Deze is in het welgestelde milieu geïntroduceerd. Produkten van Delfts aardewerk en zilver zijn het meest bekend. Al snel werden goedkopere exemplaren van tin en blik gemaakt.
Tegen het eind van de 18de eeuw kwamen tabakspotten van volksaardewerk, wals van tweekleurig klei uit Tegelen of van eenvoudig gekuipt hout.

Enkele messing tabaksdozen met gesloten of gegraveerde voorstellingen.Stadsgezichten en Bijbelvoorstellingen waren erg populair in de 18de eeuw.

Pruimen en sigaren
Het pruimen van tabak is zooud als de introductie van het kruid, maar over het gebruik is weinig bekend. De pruimtabaksdoos onderscheidt zich niet van de kerftabaksdoos. Binnenshuis bediende de pruimer zich van een spuugbak of kwispedoor, afgeleid van het Portugese woord cuspidor.
Overigens gebruikte men kwispedoors voornamelijk in de betere milieus, waar de vertrekken met tapijt belegd waren. Het meest algemeen is de kwispedoor van Delfts aardewerk, vervaardigd vanaf ongeveer 1700. Exceptionele voorbeelden zijn van zilver vervaardigd of werden in China van porselein besteld. In de 19de eeuw verwierf de kwispedoor van opalineglas een voorname plaats.
Vanaf het eind van de 18de eeuw raakte de sigaar in de mode, gevolgd door een glorietijd van een eeuw, nadat het produkt overal en betaalbaar te koop was en in status de pijp ontsteeg. Het voornaamste attribuut van de sigarenroker was het etui, waarin enkele sigaren veilig opgeborgen konden worden. Veel gebruikte materialen zijn van zilver en papier-maché, maar in de tweede helft van de 19de eeuw volgden verschillende soorten kunststoffen. Zo zakte de sigarenkoker af van luxe voorwerp tot souvenirartikel. Onmisbaar in het overvolle burgerlijke interieur van de 19de euwse roker was de 'présentoir a cigares'. Dit kon een eenvoudige molen met speelwerkje zijn, waarin men sigaren aan zijn gasten offreerde, of een bewerkt zilveren pronkstuk, dat na het diner als tafelstuk fungeerde. Voor het veilig bewaren van sigaren dienden na ongeveer 1850 de met fineer beplakte kistjes of kastjes met enkele laatjes, waarin de sigaren per soort weggeborgen konden worden.
Om maximaal van de dure sigaar te genieten, bediende men zich van een sigarenhouder, waarin de sigaar tot het laatst kon worden opgerookt.
Vooral van meerschuim zijn duizenden versierde sigarenhouders in alle denkbare vormen gemaakt.
In ieder huisgezin kon men één of enkele van deze pijpjes vinden.

Sigaret
Pijproken, kauwen en snuiven van tabak handhaafden zich in de vorige eeuw. Men bleef almaar meer tabak roken, waardoor de ketel van de pijp groter werd. In het versnelde levenstempo raakte de lange Goudse pijp langzamerhand uit de gratie doordat deze te kwetsbaar was.
Een grotere verandering gaf de komst van de sigaret. Vanaf 1875 was er sprake van machinale sigaretten produktie, waarbij de producenten zich vooral op de tabaksmelange toespitsten. Sommige sigarettenfabrieken gebruikten twintig tot veertig tabakssoorten. Het roken van sigaretten is de meest vluchtige vorm van tabaksgebruik. Wat van deze gewoonte aan materiële getuigenissen rest, is het reclamemateriaal, het verpakkingsontwerp, de asbak en de aansteker. Omstreeks 1900 werd de sigarettenkoker, de tegenhanger van de sigarenkoker, in gebruik genomen. Daarnaast bediende de
pedante sigarettenroker zich van een meer of minder opvallend sigarettenpijpje.
De pijprokers, in aantal snel afnemend, stapten na 1870 over op houten pijpen. Pas toen werd het bruyerehout, een nagenoeg onbrandbare heidewortel, ontdekt die vanwege de machinale produktie voor brede lagen van de bevolking bereikbaar werd. De traditionele kleipijp verviel na drie eeuwen tot de status van folklore. Een Goudse pijp aangereikt krijgen was een gastvrij gebaar en wanneer je bij een volgend bezoek je pijp met je naam beschreven terugvond, was je als vriend opgenomen. Bij het trouwen speelde de opgestrikte bruidegomspijp nog lang een rol. Het is geen man die niet roken kan', zegt het spreekwoord en het souvenir van het huwelijk werd in veel burgerlijke milieus na de bruiloft in een kastje in de mooie kamer te pronk gehangen onder het motto 'Breekt de pijp, dan breekt het huwelijk.

Tafelstuk van gedreven zilver om sigaren te presenteren.


 

 

 

 

 

 

 

 

Bron:K&K

Door: Don duco