
Ooit werden tekenstrips op grote schaal vernietigd, omdat zij gif voor de jeugd heetten te zijn. Nu zijn de restanten vaak fel begeerde verzamelobjecten, ook bij de intelligentsia.
| |
|
|
Het gebeurt niet vaak dat je precies de datum kunt aangeven waarop een wegwerpartikel op grote schaal verzamelobject begon te worden.
Bij tekenstrips kan dat: 1 november 1965. Op die datum werd in Amsterdam de stichting Jeugdsentiment 'De jaren vijftig' opgericht. Die hield al snel een tentoonstelling waarop veel aandacht werd geschonken aan de stripverhalen uit de jaren vijftig. En daar begon het mee. Heel wat bezoekers die kort voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog vaak stiekem strips hadden verslonden, voelden die jeugdliefde weer opbloeien. Ze gingen op zoek naar hun oude Dick Bossen, Eric de Noormannen, Tom Poezen en Sjors van de Rebellenclubs. Op hun zolders, bij hun ouders, bij vrienden en op rommelmarkten. Zo talrijk waren ze en zo fanatiek, dat er in 1968 al bestaansrecht bleek te zijn voor een antiquariaat dat zich alleen met de verkoop van strips bezig ging houden.
Onder de naam 'Lambiek' leidt dat in Amsterdam nog altijd een bloeiend bestaan. |
Verwerpelijke ontspanning
Het was een merkwaardig eerherstel voor een product dat zo verguisd is geweest. Pedagogen, leerkrachten, ouders en andere opvoeders hebben de strips in de jaren veertig en vijftig met man en macht bestreden.
De comics, wals de Amerikanen zeggen, werden op één hoop gegooid met de veelgewraakte beeldromannetjes die kort na de Tweede Wereldoorlog de markt overspoelden.
Net als die flodderlectuur zouden strips kinderen 'leeslui' maken, hun smaak bederven, ze afhouden van goede literatuur en ze een irreële kijk op het leven geven.
Volgens een nooit bevestigd, maar hardnekkig verhaal in kringen van strippofielen werd de oorlog tegen de beeldromannetjes ontketend door een gouvernante van de Oranje-prinsesjes. Die 'betrapte' één van de meisjes bij het lezen van zo’n wanproduct en wendde haar invloed aan om een einde te maken aan deze bedreiging van de geestelijke volksgezondheid.
Hoe dat ook zij: op 25 oktober 1948 werd in de dagbladen het volgende , bericht gepubliceerd: 'De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen doet een beroep op de directeuren der Rijksscholen, Gemeentebesturen en schoolbesturen om te bevorderen dat het verspreiden van z.g. beeldromans wel op school als daarbuiten veel mogelijk wordt tegengegaan. Deze boekjes die een samenhangende reeks tekeningen met een begeleidende tekst bevatten zijn over het algemeen van sensationeel karakter zonder enige andere waarde.
Dat kwam hard aan. Maar de hetze tegen de beeldromannetjes en meteen ook maar de strips bereikte pas een hoogtepunt in november van dat jaar. Toen werd in Enkhuizen een 16-jarig meisje door haar vriendje
van 15 om het leven gebracht.
Als mede-boosdoeners in dit drama werden in de pers de beeldromannetjes gesuggereerd. Zo schreef Ons
Vrije Nederland: dat thans reeds het ontstellende vermoeden gerechtvaardigd is, dat deze tragedie mede haar moorzaak vond in het vergif, dat door beeldromans in twee jonge geesten is gedruppeld.

Vele duizenden stripboekjes zijn daarna door ouders bij het oud vuil gestopt 'en op scholen in
beslag genomen. Tot groot verdriet van hedendaagse verzamelaars die nu jacht maken op de
restanten.
Prikkebeen als eerste
De Zwitser Rodophe Toppfer wordt als de vader van het. stripverhaal beschouwd. Zijn eerste publicatie
Monsieur Cryptogame verscheen in het Franse tijdschrift l'Illustration (1845). Wij kennen dat als Mijnheer
Prikkebeen. Hoewel Cryptogame zijn avonturen beleefde in gezelschap van zijn minnares, doet mijnheer
Prikkebeen dat met zijn zuster.
Minnaressen waren vroeger in Nederland niet welkom.
Wellicht is Toppfer de inspirator geweest 'van de Duitser Wilhelm Busch die in de tweede helft van de
vorige eeuw beroemd werd met zijn Max und Moritz. Vast staat wel, dat die op zijn beurt veel invloed heeft
gehad op Amerikaanse striptekenaars. Het was ook een Duits blad, Puck, dat in vertaling de Amerikaanse markt openbrak (1877). Het kreeg in de VS spoedig navolgers en in feite kwam daar ook de grote doorbraak van het Stripverhaal. Kranten ging strips in enorme aantallen en variaties gebruiken in hun meedogenloze concurrentiestrijd en vele ervan vonden later hun weg naar Europa. Hetgeen overigens niet
betekende dat de Amerikanen in ons werelddeel toonaangevend werden. Kwalitatief zeker niet. Frankrijk, Engeland, Wallonië en ook Nederland hebben op dit gebied een respectabele traditie opgebouwd. Duitsland niet.
Daar heeft Busch geen noemenswaardige opvolgers gekregen.
Verloren jeugd
De meeste Nederlandse verzamelaars van strips interesseren zich niet voor de geschiedenis van hun hobby, maar zoeken stukjes verloren jeugd bij elkaar. Strips die hun ouders hebben weggegooid, die op school werden afgepakt, die ze hebben gemist. 'Het gaat bijna altijd hetzelfde', vertelt Kees Kousemaker, eigenaar van stripwinkel Lambiek. 'Bijvoorbeeld: een Man -het zijn vrijwel uitsluitend mannen -krijgt een oud Asterix album in handen. Leest het weer.
Vindt er nog één en wil ze dan allemaal. Toevallig krijgt hij er één met een andere kaft. Ook wel leuk.
Die scharrelt hij dus ook bij elkaar.
Vandaar is het maar een stapje naar de Franse uitgaven, de Engelse, de Servo-Kroatische en ga zo maar door.
En daarmee houdt het niet op.
Er zijn immers ook affiches van Asterix en foto's van de schrijver en de tekenaar.
Verzamelaars die per se origineel materiaal willen hebben, moeten of op hun ijver en geluk vertrouwen of
fors betalen. Er zijn op rommelmarkten en zolders nog altijd eerste uitgaven te vinden, voor een tientje of
voor niets. Maar in de handel worden flinke prijzen gevraagd en gekregen.
| |
|
 |
De uitgave in steendruk van de met een originele tekening van hun favoriete strip-artiest, dienen stevig in de beurs te tasten. Eén origineelplaatje uit een strip van Marten Toonder moet tegenwoordig al zo'n 1.500,- opbrengen. |
|
|