Tegels

Tegels passen uitstekend bij de Nederlandse volksaard,makkelijk shoon te houden,duurzaam en goedkoop. Geen wonder dat ze vanaf de middeleeuwen bij honderdduizenden in allerlei variaties zijn gemaakt.


Nu dan, vooruit aan het werk! Stro wordt u niet gegeven, maar dezelfde hoeveelheid tichelstenen moet gij leveren , zo lezen we in het bijbelboek Exodus. Het zijn de woorden van de Egyptische farao die het volk Israëls dwong tot het bakken
van tegels voor de stedenbouw.
Uit opgravingen weten we dat in het oude Egypte al tegels bekend waren. Ze werden gemaakt van leem en gebakken of gedroogd in de zon. De Egyptenaren kenden 400 jaar voor Christus al verschillende glazuur- en versieringstechnieken. In Babylonië maakte men geglazuurde reliëftegels waarmee op muren de fraaiste voorstellingen werden aangebracht.
Het oude Perzië was eveneens bekend vanwege tegels in allerlei kleuren en formaten, versierd met eindeloos gevarieerde patronen. De tot in Spanje oprukkende Moren brachten deze Oosterse kunst naar Europa en via Majorca kwam Italië ermee
in aanraking. Vervolgens was het langs de drukke handelswegen nog maar een stapje naar een stad als Antwerpen, waar al in het begin van de 16de eeuw tegels en ander aardewerk werden beschilderd en geglazuurd. Italiaanse potten en
tegelbakkers vestigden zich in Antwerpen, waar de Vlamingen al snel de kunst afkeken en de voorstellingen naar eigen smaak aanpasten.

Niet veellater ging men zich in ons land met deze tak van nijverheid bezig houden. Eerst voornamelijk in Rotterdam waar men nauwe relaties onderhield met Antwerpen, maar al spoedig in iedere plaats van enige betekenis.

13de eeuwse stertegel van aardewerk
Art nouveau tegel
Art nouveau tegel

Grondstoffen
Het ligt voor de hand dat tegelbakkers zich vestigden op plaatsen waar bruikbare klei aanwezig was. Dat wil zeggen niet te mager, want dan was de klei niet goed kneedbaar, maar ook niet te droog want dan zou het eindproduct krimpen
en scheuren.
De klei die in ons land voorkomt is meestal kalkarm en dat belemmert een goede hechting van het glazuur. Daarom vermengden de tegelbakkers hun klei vaak met de sterk mergelhoudende zogenoemde Doornikse aarde. De aanvoer van deze
grondstof, uit Noord-Frankrijk, was voor de tegelbakkers een aanhoudende bron van zorg, want zodra deze stokte kwam het werk op de tegelbakkerij stil te liggen.
Het kleimengsel werd in grote bakken gewassen, waarbij de klonten werden fijngeslagen. De uitgelekte klei sneed men in stukken die op hun kant stonden te drogen en daarna werden afgeborsteld en vochtig bewaard. Voor het uiteindelijk gebruik
werd de klei nog eens getreden' met blote voeten om een egale bakklei te verkrijgen.
Langs een plankje zo groot als een tegel werden plakken klei afgesneden en vervolgens in een mal uitgerold. Daarna liet men de klei drogen, waarbij het vocht zo gelijkmatig mogelijk verdeeld moest worden dooi de plakken te keren en op hun kant
te zetten.
In de 18de eeuw werd het steeds meer de gewoonte met een zware rol de klei daarna nog even vlak te rollen. Tenslotte werden de kantjes recht afgesneden met behulp van een snijplankje en een mes.
In die plankjes zaten aanvankelijk koperen pennetjes om het opkrullen van de klei te voorkomen.
Oude tegels vertonen daardoor veelal putjes onder het glazuur.


Het bakken
Het bakken was een karwei dat de grootste zorg vereiste. Men liet dit werk dan ook niet over aan een leerling. Per keer werden immers duizenden tegels tegelijk gebakken. De oven bestond uit een stookruimte met daarboven een ovenkamer.
Zorgvuldig werden de gedroogde plakken klei in de oven gestapeld. Daarna werd een houtvuur aangelegd in de stookruimte. Door gaten in de vloer bereikten de vlammen de ovenkamer.
De stooktijd kon wel 36 uur belopen.
Met behulp van segerkegels die omkrullen bij een bepaalde hitte, werd de temperatuur in de gaten gehouden. Als men meende dat de lading 'gaar' was, werden ter controle een paar proeftegels uit de oven gehaald. Wanneer het bakken voltooid
was, waarbij een temperatuur van zo'n 1000 °C bereikt diende te worden, liet men de oven enkele dagen afkoelen. Tenslotte haalde men de eenmaal gebakken 'rauwe' tegels uit de oven en dan werd het heldere geluid van het klinken in de fabrieken
gehoord, want men tikte de tegels tegen elkaar om te luisteren of er geen gebarsten exemplaren tussen zaten.

Kleur en glazuur
Nadat de tegels waren afgeborsteld en in water gedompeld, kwam de witgever of 'spatser' aan de beurt. Hij zat voor een aan één zijde half afgezaagde ton met tinglazuur. Met een borstel smeet hij het glazuur tegen één kant van de tegel,
waarbij de opstaande rand van de ton als spatbord fungeerde. Het glazuur droogde snel tot een egale witte laag waarop het schilderen kon beginnen.
Zelden werden decoraties direct uit de hand geschilderd. Men gebruikte een spons,dat wil zeggen een papier met een tekening waarbij met een speld gaatjes langs de lijnen werden geprikt,zoals kleuters dat nog wel eens doen.
De spons werd op de geglazuurde tegel gelegd en men sloeg met een zakje houtskoolpoeder door de gaatjes stoof in het nog vochtige glazuur. Met een fijn penseeltje werden de contouren getrokken en de kleuren ingevuld. Daarna werd de tegel meestal voor een tweede keer geglazuurd, nu met doorzichtig lood glazuur: het kwaart. Voor de tweede keer gingen de
tegels dan de oven in, waarbij het glazuur zich kon hechten en de gewenste kleur en glans kreeg.
Voor het maken van glazuren en kleurstoffen had iedere fabriek zijn eigen zorgvuldig geheim gehouden recepten. Bij het maken van tinglazuur waren tin, lood, soda, zand en w ut nodig. In een speciale oven liet men lood en tin sinteren tot as.
Deze as werd, na uitgezeefd te zijn, gemengd met een fijngestampt smeltsel van zand en soda.
Dit mengsel koekte door grote verhitting samen en werd vervolgens vermalen tot een poeder dat met water kon worden aangelengd voor het gebruik.
Op eenzelfde wijze werden kleuren vervaardigd.
In plaats van tin gebruikte men dan echter andere grondstoffen. Kobalt leverde blauw, voor paars was mangaan nodig. Antimoon gaf de kleur geel, ijzeroxyde leverde diverse tinten rood en koperoxyde tenslotte was vereist om groen te krijgen. Tot deze kleuren was eeuwenlang het palet van de tegelschilder beperkt.

Plavuizen
De behoefte aan een stevige, brandvrije vloer had tot gevolg dat men in Nederland, bij gebrek aan natuursteen, zijn toevlucht nam tot van klei gebakken tegels. Om de slijtage te beperken werden deze vaak geglazuurd met een mengsel van lood en klei.
Door toevoeging van koper of mangaanoxyde kregen de plavuizen een groene of bruine kleur.
Op dezelfde manier wals potten en kruiken werden versierd, bracht men decoraties aan op plavuizen. Hiervoor werd een ringelhoorn gebruikt, dat wil zeggen de hoorn van een koe, waaraan zij werd 'geringeld' oftewel vastgebonden. Van de ringelhoorn of ringeloor werd het puntje afgekapt zodat een kleine opening ontstond. De hoorn werd gevuld met dunne witbakkende klei en aangebracht op verse roodbakkende klei op de manier zoals een banketbakker te werk gaat. Bij het maken van tegels gebruikte men meestal een houten stempel waarmee een afdruk in de klei werd gemaakt
die met de ringeloor werd opgevuld. Over het geheel ging een laagje doorzichtig loodglazuur.
In de loop van de 16de eeuw werden de op deze manier ontstane tweekleurige plavuizen overvleugeld door Majolica-tegels. De Majolica techniek, genoemd naar de doorvoerhaven Majorca, betreft het beschilderen in heldere kleuren van met tin
glazuur bedekte en dus witte tegels, die vervolgens met loodglazuur werden afgewerkt. De onder meer in Spanje en Italië gemaakte tegels vertonen Moorse invloeden en ornamenten wals granaatappels en acanthusbladeren of geometrische patronen. Meestal bevatte één tegel een kwart van het patroon (rapport) zodat vier tegels nodig waren om het gehele patroon te verkrijgen.
In de loop van de 16de eeuw vestigden zich Italiaanse majolicabakkers in Antwerpen en weldra werd hun werk door Noord en Zuid-Nederlandse pottenbakkers geïmiteerd. De Moorse motieven veelal abstract vanwege het verbod voor Moslims
om mensen en dieren af te beelden, werden in de Nederlanden aangevuld met portretten van mensen en afbeeldingen van dieren. Soms greep men daarbij terug op het gebruik van stempels en het vullen van de afdrukken met witbakkende slib, zij het dat men dan om de uitgespaarde afbeeldingen felle kleuren aanbracht.

Hollandse helderheid
Het vochtige klimaat noodzaakte de Nederlandse huisvrouwen tot een voortdurende strijd met het vuil. Men verklaart de legendarische Hollandse helderheid wel eens uit het feit dat bij het drogen of roken van vlees, het pekelen van groenten of
het bereiden van kaas en boter, schimmels en stof tegen elke prijs moesten worden geweerd. De makkelijk schoon te houden tegels werden daarom niet alleen op de vloer aangebracht maar ook tegen de wanden. In gangen en woonkamers volstond men met een plint zodat het water waarmee de vloer werd geschrobd en gedweild niet in aanraking kwam met de gekalkte muren. Keukens en kelders werden vaak tot halverhoogte of tot aan het plafond betegeld.
Tegels beschermen ook tegen vuur. De achterzijde van de haard en de schouw werden daarom eveneens betegeld. Een bijronder type schouw is de smuiger, die voornamelijk in Noord-Holland voorkomt en zich kenmerkt door de halfronde tot het
plafond doorlopende vorm. In zeldzame gevallen maakte men in de muur een betegeld nisje waarin een kaars kon worden geplaatst.

 

Tegeltableau uit een 19de eeuwse smuiger
Zogenaamde pilaartjes uit 1720 Tegeltableau met kat,symbool van huiselijkheid

Voorstellingen
De eerste Nederlandse tegels uit de 16de eeuw vertonen nog sterke overeenkomst met de Zuid Europese en Moorse voorbeelden. De kleuren zijn helder oranje, groen of blauw. De tekeningen fors opgezet en de hoekornamenten zwaar uitgevoerd, veelal in uitsparingstechniek. In de loop van de 17 de eeuw werden de voorstellingen op tegels steeds lichter van toon en vorm. Aanvankelijk werden portretten, zeewezens of soldaatjes in ronde, ovale of vierkante lijstjes gezet. De hoekornamenten verfijnden en vormden nauwelijks meer een geheel met de belendende tegels.
Onder invloed van het uit China ingevoerde porselein werd steeds meer de kleur blauw gebruikt.
Meerkleurige en daardoor duurdere tegels werden veel minder gemaakt. Het aantal voorstellingen is legio. In navolging van de Hollandse 17 de eeuwse schilder en prentkunst verschenen schepen, landschapjes, kinderspelen en ambachtslieden op de
tegels. De groeiende belangstelling voor de natuurweerspiegelde zich in bloemen, met name de tulp,vogels en exotische dieren zoals olifanten, struisvogels en leeuwen en mythologische wezens walseenhoorns, draken en zeemonsters. Naar voorbeeld
van de prentbijbels werden bijbelverhalen afgebeeld, soms met een verwijzing naar de betreffende tekst. Daarnaast bleef de gestileerde bloempot en fruitschaal, evenals in allerlei andere facetten van de volkskunst, hardnekkig voortbestaan.
Bijzondere typen tegels zijn bijvoorbeeld de vierpas-tegels waarbij op één tegel een patroon is aangebracht op de wijze zoals dat in de 16de eeuwover vier tegels werd verdeeld.

Kwadraattegels uit de eerste helft van de 17de eeuw
Kwadraattegel uit Haarlem

Kwadraattegels hebben soms een hele voorstelling binnen een op een
punt staand vierkant, maar ook wel vier halve vierkanten en dus ook halve voorstellingen die met detegels ernaast, eronder en erboven telkens weer een heel vierkant vormen. Dezelfde behoefte om een geheel te vormen met de omringende tegels spreekt
uit de vormgeving van kandelaber- en poorttegels, waarbij halve poortjes of kandelaars compleet worden met de ernaast geplaatste tegels.
Soms worden tegels vanwege typerende eigenschappen naar een plaats genoemd. Haarlemse tegels bijvoorbeeld onderscheiden zich door het gebruik van de kleuren geel, bruin en blauwen het accentueren van de diagonalen en de middenlijn.
Gekleurde vogels op spijkers zijn bijna altijd in Gouda gemaakt. Minder algemeen zijn de randtegels, half zo groot als een normale tegel, die werden gebruikt ter afsluiting van een tegelwand.
Een heel enkele keer werd een afbeelding over twee tegels verdeeld zoals bij de serie in een Hoornse kelder gevonden tulptegels.

Mangaan tegel met een ossenkop hoekmotief
Wanli motief uit 1600-1650 Zwaardvechter uit de 17de eeuw Haarlemse pompadour

Pilasters en tableaus
De vroege zware hoekornamenten zijn de Franse lelies, anjers en klavers zoals we die ook kennen van speelkaarten, werden steeds achtelozer en onduidelijker toegepast en vaak was op den duur het oorspronkelijke motief niet meer te herkennen.
Bekende 17 de eeuwse hoekmotieven zij de 'ossekop' en het 'spinnetje'. Van het Chinese porselein
werden Wanli ornamenten overgenomen, die op den duur verwaterden tot enkele haaks op elkaar staande streepjes.
Tegels werden al snel als normaal bouwmateriaal beschouwd en vaak lukraak door elkaar geplaatst.
Op belangrijke plekken, zoals om de haard, werd met wat meer zorg te werk gegaan. Men onderbrak de reeksen voorstellingen met randen witte tegels of imiteerde een pilaster met behulp van een rij tegels waarop in trompe I'oeil-techniek een pilaar was geschilderd, vaak omringd met bloemenranken en daarop rustende vogeltjes. Vooral in boerderijen kwamen tableaus voor met kleurige voorstellingen van paarden en koeien of een hond en een kat als zinnebeelden van trouwen huiselijkheid.
Tegen het eind van de 18de eeuwen in de eerste helft van de 19de eeuw werden hele schilderijen met veldslagen, schepen en stadsgezichten, compleet met lijsten aangebracht. Bij monochrome tegels had de kleur blauw langzamerhand plaats
moeten maken voor het beter in 18de eeuwse interieurs passende mangaanpaars. De ornamenten volgden op enige afstand de Franse Lodewijkstijlen.
Het maken van tegeltableaus beleefde in het begin fan de 20ste eeuw een korte opbloei, in het bijzonder voor winkelinterieurs en gevels. De Haagse firma Rozenburg bijvoorbeeld leverde schitterende producten maar die raakten weet snel uit de mode.

 

Index Next

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bron:K&K