Het ene bit is het andere niet

Nu zal ik de laatste zijn om te zeggen dat dit het ene ware bit is. Dat kán ik niet zeggen, omdat de keuze van het bit af langt van een aantal factoren:
  • het rijdoel van de ruiter: wat wil hij met het paard doen;
  • de persoonlijke voorkeur van de ruiter: de een kan beter uit de voeten met
    dit bit, de ander met dat;
  • e persoonlijke voorkeur van het paard: dat kan eveneens vaak beter
    overweg met het ene bit dan met het andere.

.Er is dus geen ideaal bit: de ruiter moet een compromis vinden tussen genoemde drie dingen. Maar het minste dat van de gebruiker daarbij verlangd kan worden, is dat hij weet hoe zijn instrumentarium werkt en, in samenhang daarmee, hoe je het moet hanteren. Werking zowel als wijze van hanteren zijn niet voor elk bit
hetzelfde. Helaas wordt daaraan in ons rijonderricht nagenoeg geen aandacht besteed. Zelfs hoe ons gewone standaard bit, de bustrens, werkt, weet menig gevorderd ruiter niet. Ik wil hier een aantal globale kenmerken van bitten aangeven, zondér de pretentie te hebben het nou allemaal voor eens en voor altijd te hebben uitgelegd. Daarvoor zijn er teveel bitten en is de hele kwestie te gecompliceerd. Ik zou willen bereiken dat
men, voor men het paard een bit in de mond legt, dit eerst eens goed en op details bekijkt en vervolgens als het in de mond ligt het paard in de mond kijkt en probeert te zien hoe het werkt.

 

Gewichtshulp universeel
Een kleine historische inleiding is onvermijdelijk. Wanneer je de rijderij over de hele wereld of door de historie heen bekijkt word je al snel duidelijk dat er vele vormen van rijden zijn. Niet alle rijderij berust op dezelfde principes, maar één ding hebben ze alle gemeen: het gebruik van het ruitergewicht als hulp. Afgezien daarvan kun je de rijderij van de hele wereld splitsen in degenen die rijden via de mond, en degenen die dat niet doen. De oudste hulpmiddelen die men gebruikte om het paard te controleren, lagen niet in, maar om de mond. Op zichzelf was dat een zeer goed idee: de neus is een reflex-zone, het paard reageert direct op druk op zijn neus; daarom is een hackamore of bosal zo effectief. De mond daarentegen is géén reflex-zone, en bovendien zeer pijngevoelig; het paard reageert met tegendruk, totdat het geleerd heeft na te geven. Daarmee is het voordeel van in de mond duidelijk: de mond kan actief reageren op inwerking, de neus niet. Niettemin, dat ding om de mond werd vroeger veelal te strak gegespt en
veroorzaakte ademhalingsproblemen: daarover klaagden de Egyptische menners uit de Oudheid al. Een ander probleem was dat de band om de mond die de Hethieten gebruikten, erg breed was dat dempt de inwerking en maakt die ineffectief. De moderne Amerikaanse bosal is juist heel dun en dáárom werkzaam. De oplossing was het paard iets in de mond te doen, met als nadeel dat het paard meer training nodig had voor het controleerbaar was: het meest de betekenis van het bit eerst leren.

De oudste bitten die zijn gevonden in Klein Azië hadden zowel de vorm van de gebroken trens, als van de stang. Beide typen bitten zijn dus van meet af aan in gebruik geweest.

Twee gevaarlijk ogende stangen uit de begintijd der hoofse rijderij Een gebroken trens en een stang
oudheid


Rijden over afstanden
Het paard diende vele verschillende doeleinden en de hulpmiddelen en bitten waren daaraan aangepast. Je zou twee grote groepen kunnen onderscheiden: degenen die reden om grote afstanden te overbruggen, en degenen die reden over zeer korte afstand, eigenlijk op de plaats. Het rijden over lange afstanden is zeer
uitgesproken een op arbeid gerichte rijderij. De ruiter rijdt niet zomaar , of vanwege het rijden zelf; de ruiter rijdt omdat hij alleen zo een bepaalde taak kan uitvoeren.

 

In Europa oefende men voor de oorlog in de toernooien. Stangen met lange scharen werden gebruikt.

 


De CentraaI Aziatische rijderij bijvoorbeeld was gericht op reizen, jacht en oorlog. Men reed over lange tot zeer lange afstanden in een zeer hoog tempo en gebruikte een trens, gebroken of ongebroken. Een stang met kinketting zou ongeschikt zijn geweest, want een stang brengt het paard tot afbuigen en blokkeert dus een snelle, gestrekte, beweging. Van natuurruiters in het algemeen zou je kunnen zeggen dat ze rijden als waren ze op het paard geboren. Hun belangrijkste hulp is het gewicht. De teugels, het bit, worden nauwelijks gebruikt. Een onbedorven paard reageert op de gewichtshulp het sterkst. Ook om halt te houden gebruiken ze eerder het eigen lichaam dan het bit.

Om halt te houden moet het paard zich oprichten: als de ruiter inwerkt via zijn zitbeenderen, drijft hij de achterhand eronder en brengt het paard het hoofd omhoog: het stopt. Het lichaam van de ruiter is dus niet alleen iets dat door het
paard wordt gedragen, maar het is ook een rijkunstig instrument. Ook door het zadel heen voelt het paard die zitbeenderen heel goed; het is er op geconcentreerd. De Centraal Aziatische rijderij, maar ook de Arabische (zie de Fantasia's) en het western rijden zijn in feite natuurvormen van rijden waarbij de teugels slechts secundair zijn. Het western rijden en de Arabische rijderij gebruiken weliswaar stangen, maar die hanteren ze heel anders dan wij dat doen: dit zijn vormen van signaalrijden, waarbij de teugels alleen worden gebruikt om korte signalen aan het paard te geven en verder doorhangen. Het zijn nogmaals manieren van rijden waarbij het gaat om de arbeid en het overwinnen van afstanden.

 


Bij de gebruiksrijderij moest men zijn handen vrij hebben om te arbeiden of te vechten.
Bitten/teugels waren van secundair belang voor de controle over het paard.

 

Rijden op de plaats
Circa 1450 ontstaat de ,rijderij op de plaats. Deze is uitgevonden door Europeanen, die nooit echte geboren ruiters zijn geweest. Eigenlijk is het grotesk dat ze niettemin de toon aangeven. In onze Europese oorlogen reden boerenjongens die rijden moesten léren, geheel in tegen stelling met hun Hunnen tegenstanders bijvoorbeeld. Er waren hier ook geen inheemse rijpaarden (uitgezonderd de Engelse ponyrassen en de vrij zware Zuidduitse Noriker Pinzgauer achtige paarden).

De echte geboren ruiters hebben evenwel de rijderij nooit verder gebracht. Dat deden de onechte ruiters, die moesten er namelijk noodgedwongen bij nadenken. Die onechte ruiters, onze voorvaderen, pantserden hun paarden in de oorlog omdat die paarden zo kostbaar waren. En wat Hunnen en andere ruitervolkeren leerden via ruiterspelen: oefening voor de oorlog, leerden wij hier via toernooien, in een adembenemende galop op de plaats zoals Ursula Bruns dat zo fijntjes uitdrukte. Het probleem met onze paarden was dat ze, mede door het te torsen gewicht, nogal langzaam waren. Men gebruikte dus sporen, waardoor ze naar voren sprongen. De lengte van die sporen lijkt vervaarlijk, maar ze waren voor allang door de maat van de paarden en het rijden met gestrekte benen, waardoor de voeten zo'n eind onder het paard uit staken: die afstand moest overbrugd worden. Als zo'n paard eenmaal in beweging was, moest het ook weer te stopen zijn; daarvoor werden stangen met zeer lange scharen gebruikt, zodat dat stoppen met een pink te doen was. Een ridder in de slag had uiteraard andere zaken aan zijn hoofd
dan het met verfijnde middelen stoppen van zijn paard. Men heeft ook wel gesuggereerd dat die bitten zo lange scharen hadden, niet zozeer om de dieren te stoppen als wel om ze aan het rennen te krijgen: ze veroorzaakten pijn, waarvoor het paard dan hard wegliep.

Toen de oorlogen rond de15de eeuw anders werden, voor vuurwapens waren die relatief trage paarden een gemakkelijk doelwit, en toen ook de gecentraliseerde rijken vorm kregen, ontstond de hoofse rijderij. Een edelman leerde in die dagen converseren, vechten, dansen en rijden. Dat zijn alle hoofse zaken die alléén in gezelschap plaatsvonden. Ook rijden was een gezelschapssport en werd steeds meer ook een kijksport. Met name de Spaanse en Neapolitaanse paarden beïnvloedden deze ontwikkelingen zeer. Pas nu werd het bit een middel om op het paard in te werken. Pas nu had men' niet meer genoeg aan het gewicht alleen. Met het gewicht kun je stoppen, rennen, wenden. Maar zodra je meer doet dan rennen, moet je bitten hebben of iets dat op de neus werkt. Eigenlijk is het Spanje dat dit rijden op de plaats heeft uitgevonden: het maakte van het paard een sokkel onder de ruiter en diens trots. Het rijden vond nu plaats in een arena en voor toeschouwers. Dit is de geboorte van de dressuur, die bij natuurrijders niet bestaat. En daartoe ontwikkelde men steeds ingewikkelder en zwaardere bitten. Het is tevens de geboorte van de ingewikkelder en zwaardere bitten. Het is tevens de geboorte van de niet op een arbeidsdoel gerichte rijderij, van het rijden om het rijden en als wetenschap, van een rijderij die van het dier dingen vraagt die het niet van nature kent. ..wat anderen ook mogen beweren! Nog steeds is het gewicht de belangrijkste hulp. Maar dat geldt alleen voor een paard dat enigszins in verhouding staat tot het gewicht van zijn ruiter. Met een reuzenpaard werkt dit niet goed. Reuzen kunnen ook niet goed stoppen, die kunnen de achterhand er niet goed onder krijgen en lopen meestal op de voorhand, zogenaamd aan de teugel. Maar pas bij de dressuurrijderij is de veelheid aan bitten ontstaan.


 


Het paard was de sokkelonder de ruiter en
zijn trots.
(1488. Andrea del Verocchio, standbeeld
van Colleonij.

 

 

 

Back Index