De erfenis van het geslacht Ipenburg

Gerrard Ipenburg, 73 jaar, kan er nog over meepraten. Over de tijd, dat de Rijtuig en wagenmaker nog volop werk om handen had. De tijd, eigenlijk pas zo'n 60, 70 jaar geleden, dat de rijtuigmaker niet alleen rijtuigen bouw-
de, maar ook elke drie maanden langs alle buitenplaatsen van zijn clientele reisde om alle wagens en rijtuigen persoonlijk te smeren en te stellen. Dat waren nog eens tijden! De rijtuigliefhebber kwam volop aan zijn trekken. Niet alleen de bewoners van landgoederen, maar ook stalhouders,doktoren en veeartsen en boeren reden dagelijks uit om hun werkzaamheden te kunnen verrichten. Telgen van de familie Ipenburg beoefenen het wagenmakers en rijtuigbouwersvak al 350 jaar. Zij hebben in die tijd heel wat zien veranderen op de weg! 'Maar een goede rijtuig wagenmaker stond altijd open voor nieuwe ideeën, zelfs toen dat betekende dat het eigenlijke rijtuigwerk grotendeels vervangen werd door reparatiewerk aan de carrosserie van gemotoriseerd vervoer', aldus G. Ipenburg, die hier onmiddellijk aan toevoegt dat de rijtuigspecialist natuurlijk wel met weemoed terug dacht aan vroeger dagen. De Romantiek hérleeft bij dit gesprek over de dagen van weleer, over de glorietijd van het rijtuig

Heren gerij.Deze Engelse Spider pheaton horen vierkante lantaarns. Je zag de lantaarns ook wel eens met een korte staart zoals ze ook op de eerste auto's voor kwamen.

 

Onachtzaam
'Het is ongelooflijk hoe onverschillig en onachtzaam er in de tijd dat het gemotoriseerde vervoer ontstond met rijtuigen is omgesprongen!', zegt Ipenburg hoofdschuddend. 'Op sommige rijtuigen waren families wel zuinig, zoals bijvoorbeeld op de vigilante. Wanneer een deel van het gerij verkocht werd, hield men de vigilante vaak nog wel aan. Maar op den duur kwam ook de vigilante in de handel. Deze wagens zijn bijna allemaal bij stalhouderijen terecht gekomen als rouwvolgers. Het was echt een prachtig gezicht wanneer de vigilante uitreed met de koetsier in volornaat op de bok en de palfrenier in bombazijnen broek achterop!' Ook nu Ipenburg, die zich al van jongs af aan in de rijtuig bouwen handel beweegt, heeft heel wat rijtuigen door zijn handen zien gaan. Natuurlijk ontwikkelde hij ook zijn persoonlijke voorkeuren. Ipenburg: 'Ik ben erg gesteld op het echte herengerij. Deze Engelse Spider is daar een mooi voorbeeld van. Op deze Spider phaeton horen vierkante lantaarns. Je zag de lantaarns ook wel met een kortere staart, zoals ze ook op de eerste auto's voorkwamen.

De meeste victoria's liepen op rubberbanden. Men was verplicht een bel mee te voeren aan het vooreind van de disselboom. Vanwege het geruisloze rijden om de voetgangers te waarschuwen! Maar als men ergens onachtzaam mee is omgesprongen, dan is het wel met de victoria. Van veel victoria's werden tweewielige buggy's gebouwd. De buggy ruimde rond de eeuwwisseling als één van de eerste rijtuigjes het veld. Voor prijzen
vanf l5 totf 50,- verdwenen ze! De victoria en andere soorten coupé's waren na de tweede wereldoorlog, omstreeks 1950 praktisch onverkoopbaar. Echt voor prijzen rond de f 125,- kon men toen al een behoorlijk goede wagen aanschaffen! Honderden zijn er in die tijd gesloopt of verbrand. ..Ik moet zeggen dat men op de landauer wat zuiniger was. De landauer heeft een sterke bouwen constructie en gaat gemakkelijk 100 jaar mee. Men sloopte alleen de slechtste. Maar de landauers kwamen in prijs niet boven de f 150,- uit. Een oude stalhouder zei mij eens: 'Toen een ander ze weggooide, heb ik ze opgeraapt. En zo ging het inderdaad, het waren woorden die mijn vader ook gebruikte! Het ongelooflijke volgde: in het begin van de jaren '60 vlogen de prijzen omhoog en nu in de tachtiger jaren zijn coupé's praktisch onbetaalbaar geworden.

De meeste rijtuigen met een achter portier of klep vallen onder de brikken. Op de foto een glazen of kerkbrik. Toen het rond de eeuwwisseling de boerenstand voor de wind ging, werden deze brikken alom aangeschaft, voor kerkbezoek of andere doeleinden. De naam veranderde toen van de oorspronkelijke naam omnibus in kerkbrik. Soms werd de brik met aparte zomer- en winterkappen geleverd. Veel kerkbrikken zijn omgebouwd tot reclamewagen: zie b. v. de brikken van de firma Bols.
  
De Utrechtse Tentwagen werd uit de gewone boerenwagen ontwikkeld. Overhuifde boerenwagens zag men in alle delen van het land. De boerenwagen had een langboom en was zonder veren, niet erg comfortabel voor passagiers. In het begin van de vorige eeuw kwam geleidelijk de ontwikkeling naar tentwagens op gang. De langboom verdween.
Een probleem was het instappen. Bij het type op de foto stapte men aan de voorkant in
waarvoor de rugleuning van de bok er afgehaald kon worden. Later kreeg men lage zijpor-
tieren. Soms ook werd er een deur in de schuine achterkant gemaakt.


Brikken
De brik zoals bijvoorbeeld de wagonette was de trots van menig rijtuigmaker .Meestal werd de brik geschilderd in de stal kleuren. De kofferbrik bijvoorbeeld was een typisch Nederlands rijtuig. Elke stalhouder had ze en verhuurde ze ook vaak. In de jaren 20 huurde je voor f 2,- per dag een kofferbrik met paard. Het gebruik was dat de klant zelf een roggebroodje meenam voor het paard, dan was de stalhouder tevreden! Ja, er is veel veranderd. Neem de
kaasbrik: deze ontbrak in de 30er jaren nog bij geen enkele boer. De eerste kaasbrikken dateren van de eerste helft van de18e eeuw, maar tot 1930 werden ze nog wel gebouwd. De kaasbrik had grote voordelen. Hij was praktisch: voor personenvervoer bracht men aan de zijkanten insteekbare zitplaatsen aan en wanneer er met schapen of varkens gereden werd,zette men er losse hekken op. Maar hoeveel boeren zullen nu nog een originele kaasbrik in gebruik hebben? Veel goed bewaarde Nederlandse rijtuigjes verdwenen in de 30er jaren al over de grens naar
Duitsland .

Ipenburg heeft van elk rijtuig wel de geschiedenis paraat. Hij raakt niet snel uitgepraat en weet zich alle gebruiken van vroeger nog te herinneren. De brik, zoals bijvoorbeeld de wagonette,was de trots van menig rijtuigmaker .Meestal werd de brik geschilderd in de stalkleuren. De kofferbrik bijvoorbeeld was een typisch Nederlands rijtuig.

De Siamese Phaeton: 'Omdat de voor en achterzitting van gelijke vorm en grootte zijn, werd dit rijtuig een Siamese Phaeton genoemd. De paarden horen met gareel of luxe borsttuigen ingespannen te zijn. De siamese Phaeton hoort ijzeren banden om de wielen te hebben: er werd veel mee in de vrije natuur, op zendwagen in sporen, gereden.
Vandaar de naam 'zandsnijder'. die veel gebruikers er aan gaven. Tegenwoordig, nu meestal op verharde wegen wordt gereden,zijn de meeste phaetons op rubber gezet.
  

De naam postkoets of Mail-coach spreekt velen tot de verbeelding. Toch is hij in Nederland weinig voor personenvervoer gebruikt. De Mail-coach is groot en zwaar; leeg weegt hij maar liefst tweeën een halve ton! Er hoorden dan ook 4 tot 6 paarden voor. In vroeger tijden had de koetsier altijd een hoorn bij zich. Zodra hij een pleisterplaats naderde werd er op de hoorn geblazen. De koffie en de olie voor de lamen konden dan vast in de aan-
slag worden gehouden!

  
Een Duitse Feldwagen.
Het Duitse gerij bestaat grotendeels uit verschillende typen jachtwagen. De Duitse wagens hebben niet bepaald mijn voorkeur. Engelse en Franse jachtwagens vind ik veel mooier! Zelf heb ik nog een eenpaard Frans jachtwagentje, een aardig, lichtgebouwd rijtuigje. Heel wat anders dan deze 6-persoons Feldwagen. Ik moet wel zeggen dat deze wagen door de gemakkelijke instap en de ruime zitplaatsen zeer geschikt is voor zijn doel: de jacht. Vanwege de grote wielbasis, moet deze wagen zeker door twee paarden getrokken worden. Men begaat nog al eens de fout een dergelijke wagen op rubber te zetten. Maar daar gaat hij alleen maar zwaarder van lopen.

Onderhoud
Door verwaarlozing zijn veeloriginele rij tuigen in bijzonder slechte staat gekomen. Restauratieprijzen liegen er niet om. Wanneer men een rijtuig zo heeft verwaarloosd, dat het enige wat nog gedaan kan worden het bouwen van een
compleet nieuw rijtuig op het originele onderstel is, moet men op f 22.000,- rekenen. Het opknappen van een rijtuig. In vroeger tijden stond de rijtuigmaker zelf garant voor het 4 keer per jaar smeren en bijstellen van de wagens van zijn klantenkring. Eens per jaar werden bovendien de buitenhuizen bezocht om te kijken welk rijtuig een grote beurt moest hebben. Als rijtuigmaker had je met de koetsier te maken, de eerste man op stal. Deze overlegde met Mijnheer, die zich altijd bij het advies van de rijtuigmaker aansloot.Wanneer een nieuw rijtuig geleverd werd,werd er eerst een proefrit gemaakt. Leder kraakje of piepje werd verholpen! Moet je nu eens gaan luisteren naar de rijtuigen op de concoursen! Dat je zoveel rijtuigen hoort klepperen, is gewoon een gebrek aan onderhoud. Sinds de olie as zijn intrede deed, een uitvinding van de Engelsman Collins in 1850, kunnen assen haarfijn afgesteld worden. De wielen draaien geruisloos. Zo'n licht lopend rijtuig is een weldaad voor de paarden! Maar daar hebben de mensen tegenwoordig niet meer zo'n gevoel voor. Ipenburg weet nog een voorbeeld van verwaarlozing te noemen: Veel rijtuigen hadden oorspronkelijk twee kappen: één voor de zomer, bijvoorbeeld met oprolbare zeiltjes, en één voor de winter, een gesloten kap, soms met ramen van geslepen spiegelglas. Een groot deel van die kappen is zoek geraakt, of door verwaarlozing half vergaan. Er zijn nauwelijks meer rijtuigen, waarbij alle originele bijbehorende kappen nog in tact zijn.

Kennis overdragen

Het wagenmakersvak ging altijd van vader op zoon over. Ook Ipenburg heeft zijn kennis overgedragen, niet op een zoon, maar op Leo Kraayenbrink. Op de Flevohof kwam ook de gehele bedrijfsinventaris van de Ipenburgs terecht. Op de mallen voor de wielen zijn de namen van oude families en huizen rondom Doorn te lezen. In de werkplaats hangt zelfs een gereedschapsrekje dat uit 1700 dateert.de Koninklijke Stallen hebben zelfs een keer een berline door Leo laten restaureren. Ik heb de berline zelf gebiesd, een karwei waar 120 uur werk inzat! Wanneer er een nieuwe ambassadeur zijn geloofsbrieven komt aanbieden aan H.M. de Koningin, is deze berline de voorste van de stoet. gereden.

De eerste keer dat de Koninklijke Stallen met hun rijtuigen buiten de gebruikelijke 'hofleveranciers' gingen, was in 1982, toen Leo Kraayenbrink met hulp van G. Ipenburg een staatsieberline onder handen namen. Ipenburg tekende zelf voor het biezen, een nauwkeurig en secuur werkje. Hij nam er dan ook 120 uur de tijd voor!

De rijtuigliefhebber hoort ook een tuigliefhebber te zijn! Een nette tuigenkamermet goed onderhouden tuig, is de liefhebber dan ook een lust voor het oog.

 

Iedere dorpswagenmaker maakte rond de eeuwwisseling wel een Dogkar voor een prijs van 350 tot 400 gulden. De zweep,altijd een boogzweep,liefst met zweepkoker met schuine insteek,werd er dan gratis bijgeleverd. De dorpskar was populair omdat hij goed in de hand lag,zoals men dat in vaktermen noemnden. Men zit dos a dos,rug aan rug dus .

Back Index